De hemelse schipbreukeling: Émile Nelligan

Ver­taald uit het Frans

«Nel­li­gan is le­gen­da­risch. Het Qué­becse volk is zelf in ze­kere zin een droom, in­ge­beeld hoe­wel wer­ke­lijk, on­ze­ker hoe­wel vol­har­dend, en uit­ein­de­lijk – wie weet? – mis­schien ge­red, mis­schien ver­lo­ren. Er is een ver­bin­ding tus­sen deze twee le­gen­des.»

Va­de­bon­coeur, Pier­re. «É­mile Nel­li­gan (1879-1941), poè­te» («É­mile Nel­li­gan (1879-1941), dich­ter»), in En quelques traits (In en­kele trek­ken), Montre­al: Fi­des, 1978.

Is het no­dig te her­in­ne­ren dat de Frans-Ca­na­dese let­te­ren nau­we­lijks twee eeu­wen be­staan; dat zij nog maar net uit de kin­der­schoe­nen zijn? Nog arm aan li­te­raire roem, be­zit­ten zij er toch één die hun ei­gen jeugd voor­beel­dig be­li­chaamt. Deze roem is Émile Nel­li­gan1Af­ge­we­zen vor­men:
Émil Nel­lighan.
Émile Ko­var.
: een ado­les­cent van ze­ven­tien jaar, bijna nog een kind. Maar door een tra­gi­sche om­ke­ring van de na­tuur­lijke or­de, in deze on­be­zorgde leef­tijd die, vol­gens Bos­suet, «slechts ge­vormd lijkt voor vreugde en ge­noe­gens» en die «overal de zei­len hijst naar de hoop», hoopt Nel­li­gan reeds op niets meer; hij is op drift:

«Mijn ziel is zwart: waar leef ik? Waar reis ik heen?
Al haar hoop ligt be­vro­ren, ver­stomd:
Ik ben het nieuwe Noor­we­gen, al­leen,
Waar­uit de blonde he­mel niet meer komt.»

Nel­li­gan, Émi­le. Poé­sies com­plè­tes (Vol­le­dige ge­dich­ten), voor­woord van Claude Beau­so­leil en van Louis Dan­tin, Montre­al: Ty­po, coll. «Typo Poé­sie», 1998.

En het is niet al­leen in deze ver­zen, on­der de in­druk van een voor­bij­gaande te­leur­stel­ling, dat hij deze ont­to­ve­ring er­vaart. Het is door­heen zijn ge­hele Poé­sies com­plè­tes (Vol­le­dige ge­dich­ten), edele dro­me­rijen van een ver­vloekte en­gel, vreemd ge­ble­ven aan de com­pro­mis­sen die het le­ven op­legt.

De vervloekte Engel

Op een be­roemde foto fas­ci­neert deze ma­gere scho­lier met het bleke ge­zicht en het war­rige haar door zijn gro­te, vloei­ba­re, on­ein­dige ogen; ogen die ver­an­der­den, die be­gre­pen, die droom­den. Hij liep met inkt­be­vlekte vin­gers, de jas in wan­or­de, en te mid­den van dit al­les een trotse blik. «Het is een vreemde jon­gen», zei­den som­mi­gen; «een beetje aan­stel­le­rig», von­den an­de­ren. Maar zijn trots was slechts een façade die een ge­prik­kelde ge­voe­lig­heid slecht ver­hul­de, nu eens over­loop­end van en­thou­si­as­me, dan weer ver­duis­terd door een woeste en drei­gende me­lan­cho­lie:

«Het is het heer­sen van bit­tere lach en ra­zer­nij,
Te we­ten dich­ter en voor­werp van ver­ach­ting te zijn,
Te we­ten een hart te heb­ben en be­gre­pen, zo fijn,
Slechts door het maan­licht en de storm­avond, zo vrij!»

Nel­li­gan, Émi­le. Poé­sies com­plè­tes (Vol­le­dige ge­dich­ten), voor­woord van Claude Beau­so­leil en van Louis Dan­tin, Montre­al: Ty­po, coll. «Typo Poé­sie», 1998.

Het om­rin­gende on­be­grip en de door­waakte nach­ten be­steed aan het neer­krab­be­len van koort­sige ver­zen waarin «reeds, te­mid­den van schit­te­rende trek­ken, de waan­zin zijn af­schu­we­lijke klauw toonde»2De uit­druk­king over de «af­schu­we­lijke klauw» is van Louis Dan­tin in zijn «É­mile Nel­li­gan et son Œu­vre» («É­mile Nel­li­gan en zijn werk») ver­sche­nen in ze­ven af­le­ve­rin­gen in de krant Les Dé­bats (1902) en wel­dra ge­wor­den tot dat my­thi­sche voor­woord (1903) dat niet al­leen een van de beste dich­ters van Frans-Ca­nada (Nel­li­gan) ont­hul­de, maar ook een van zijn beste este­ten (Dan­tin). on­der­mijn­den voor­tij­dig zijn ge­zond­heid. Hij stierf twee­maal: eer­st, een in­tel­lec­tu­ele dood of waan­zin op ne­gen­tien­ja­rige leef­tijd; ver­vol­gens, een li­cha­me­lijke dood op ze­ven­en­vijf­tig­ja­rige leef­tijd.

De Lach en de Snikken

On­ge­twij­feld leed Nel­li­gan wreed on­der dit on­be­grip. Hij die slechts van Pa­rijs droom­de, be­weerde dat zijn ver­zen er op een dag naar­toe zou­den vlie­gen, om te­rug te ke­ren als een mooi boek. Een der­ge­lijke am­bi­tie, jeug­dig en le­ven­dig, bood een ge­mak­ke­lijke prooi voor kwaad­wil­lige kri­tiek. De meest vi­ru­lente aan­val kwam van Le Monde il­lu­stré, uit de pen van een vage jour­na­list op door­reis in Montre­al, De Mar­chy of De Mar­chi, wiens voor­naam de ge­schie­de­nis is ver­ge­ten. Met ge­mak­ke­lijke iro­nie en be­krom­pen klein­gees­tig­heid be­spotte deze cen­sor de ori­gi­na­li­teit van de ado­les­cent, en ging zelfs zo­ver hem op een toon van me­de­lij­den voor te stel­len «een kleine the­sis in een­vou­dig proza» te schrij­ven om zijn ver­dien­ste te be­wij­zen, en voegde er per­fide aan toe: «want wij moe­di­gen jonge schrij­vers aan».

Diep ge­kwetst, aar­zelde Nel­li­gan niet te ant­woor­den tij­dens een ge­denk­waar­dige bij­een­komst van de École lit­té­raire de Mon­tré­al, op 26 mei 1899. Die avond, te­gen­over zijn be­la­gers, deze «man­nen met som­bere voor­hoof­den / Die [z]ijn le­ven min­acht­ten en [z]ijn hand af­we­zen», stond de jon­ge­man op. Met wap­pe­rende haar­dos en vlam­mende blik, de­cla­meerde hij in één adem zijn vlij­mende re­pliek, «La ro­mance du vin» («Het wij­ne­pos»), die de zaal in ver­voe­ring bracht. Het was te­ge­lijk zijn tri­omf en zijn af­scheid:

«De klok­ken zon­gen; de avond­wind is zo zoet…
Ter­wijl de wijn in vro­lijke stro­men vloeit, zo vrij,
Ben ik zo vro­lijk, zo vro­lijk, vol over­moed,
Oh! zo vro­lijk, dat ik vrees in snik­ken te bar­sten – wee mij!»

Nel­li­gan, Émi­le. Poé­sies com­plè­tes (Vol­le­dige ge­dich­ten), voor­woord van Claude Beau­so­leil en van Louis Dan­tin, Montre­al: Ty­po, coll. «Typo Poé­sie», 1998.

«Le vaisseau d’or» («Het gouden schip»)

Pro­duct van een on­waar­schijn­lijke al­che­mie, toont Nel­li­gan zich ver­want aan Poe door het ma­ca­be­re, aan He­re­dia door zijn ge­ci­se­leerd woord, aan Ner­val door zijn dro­me­rige nos­tal­gie­ën, maar ook aan Ro­den­bach door de ne­vels en aan Cho­pin door een mu­ziek van de ziel. Hij cul­ti­veert met trots «zijn neu­ro­ses», en ver­trouwt toe: «Ik zal waan­zin­nig ster­ven… zo­als Bau­de­laire». On­der de aan­val van een of an­dere ob­se­de­rende droom, van een of an­der over­heer­send idee, stort hij zich naar het ab­so­lute met «alle in­span­ning, al het bloed van de ziel», waar­door Louis Dan­tin zegt: «Aan­ge­no­men dat de mens en het werk slechts een schets zijn, moet men vast­stel­len dat het een schets van ge­ni­a­li­teit is».

Deze schets van ge­ni­a­li­teit be­zit de angst­aan­ja­gende hel­der­heid van «wat de Ou­den in het La­tijn “va­tes” noem­den, de waar­zeg­ger, de zie­ner, de pro­feet, de door de go­den geïn­spi­reerde dich­ter»3Claude La Cha­ri­té.. Ro­ger Four­nier roept het «ver­schrik­ke­lijke mo­ment» op waarin de kun­ste­naar zijn einde ziet vóór hij het be­leeft. Deze voor­ge­voel be­li­chaamt zich in «Le vais­seau d’or» («Het gou­den schip»), zijn meest em­ble­ma­ti­sche son­net. Nel­li­gan schil­dert er de pracht van een ze­ge­vie­rend schip, «uit mas­sief goud ge­sne­den», va­rend over on­be­kende zee­ën. Maar dit glo­ri­euze ta­fe­reel is er slechts om be­ter ver­nie­tigd te wor­den. In een tra­gi­sche val raakt het schip de klip en zinkt, slechts rijke wrak­stuk­ken ach­ter­la­tend. De le­zer be­grijpt dan, met ont­zet­ting, dat het om de dich­ter zelf gaat, die zijn ei­gen schip­breuk voor­spelt:

«Wat werd van mijn hart, ver­la­ten schip, zo al­leen?
He­laas! het zonk in de af­grond van de droom, ver­dween…»

Nel­li­gan, Émi­le. Poé­sies com­plè­tes (Vol­le­dige ge­dich­ten), voor­woord van Claude Beau­so­leil en van Louis Dan­tin, Montre­al: Ty­po, coll. «Typo Poé­sie», 1998.


Om verder te gaan

Rond Poésies complètes (Volledige gedichten)

Citaten

«Ach! hoe­veel sneeuw is er ge­val­len!
Mijn ruit is een tuin van rijp en ijs.
Ach! hoe­veel sneeuw is er ge­val­len!
Wat doet de kramp van het le­ven zo grijs
Bij al de ver­ve­ling die mij over­val­len!…»

Nel­li­gan, Émi­le. Poé­sies com­plè­tes (Vol­le­dige ge­dich­ten), voor­woord van Claude Beau­so­leil en van Louis Dan­tin, Montre­al: Ty­po, coll. «Typo Poé­sie», 1998.

Downloads

Geluidsopnamen
Gedrukte werken

Bibliografie

  • Ab der Hal­den, Char­les. «É­mile Nel­li­gan» («É­mile Nel­li­gan»), in Nou­vel­les étu­des de lit­té­ra­ture ca­na­di­en­ne-française (Nieuwe stu­dies van Frans-Ca­na­dese li­te­ra­tuur), Pa­rijs: F. R. de Ru­de­val, 1907. (Google Li­vres).
  • Four­nier, Ro­ger. «Des mo­ments émou­vants sur la tombe d’É­mile Nel­li­gan» («On­troe­rende mo­men­ten op het graf van Émile Nel­li­gan»), in Émile Nel­li­gan: dos­sier de presse 1918-1980 (Émile Nel­li­gan: pers­dos­sier 1918-1980), Sher­broo­ke: Bi­bli­o­thèque du Sé­mi­naire de Sher­broo­ke, 1981.
  • Gri­sé, Yo­lan­de, Ro­bi­doux, Ré­jean en Wy­c­zyns­ki, Paul (red.). Émile Nel­li­gan (1879-1941): cinquante ans après sa mort (Émile Nel­li­gan (1879-1941): vijf­tig jaar na zijn dood). Han­de­lin­gen van het col­loquium ge­or­ga­ni­seerd door het Cen­tre de re­cher­che en ci­vi­li­sa­tion ca­na­di­en­ne-française van de Uni­ver­si­teit van Ot­ta­wa, Montre­al: Fi­des, 1993.
  • Hay­ward, An­net­te. La Cor­res­pon­dance en­tre Louis Dan­tin et Ger­main Beau­li­eu: une grande ami­tié lit­té­raire (1909-1941) (De brief­wis­se­ling tus­sen Louis Dan­tin en Ger­main Beau­li­eu: een grote li­te­raire vriend­schap (1909-1941)), Qué­bec: Pres­ses de l’­U­ni­ver­sité La­val, 2023.
  • La Cha­ri­té, Clau­de. «É­mile Nel­li­gan et le my­the du gé­nie pré­co­ce, mort fou» («É­mile Nel­li­gan en de my­the van het vroeg­rijpe ge­nie, waan­zin­nig ge­stor­ven»), in L’In­ven­tion de la lit­té­ra­ture québé­coise au 19e si­è­cle (De uit­vin­ding van de Qué­becse li­te­ra­tuur in de 19e eeuw), Qué­bec: Sep­ten­tri­on, 2021.
  • Paul-Crou­zet, Je­an­ne. Poé­sie au Ca­na­da: de nou­veaux clas­siques français (Po­ë­zie in Ca­na­da: nieuwe Franse klas­sie­ken), Pa­rijs: Di­dier, 1946.
  • Ro­bi­doux, Ré­jean. Con­nais­sance de Nel­li­gan (Ken­nis van Nel­li­gan), Montre­al: Fi­des, 1973.
  • Sams­on, Je­an-Noël en Char­land, Roland-Ma­rie (red.). Émile Nel­li­gan, Montre­al: Fi­des, 1968.
  • Va­de­bon­coeur, Pier­re. «É­mile Nel­li­gan (1879-1941), poè­te» («É­mile Nel­li­gan (1879-1941), dich­ter»), in En quelques traits (In en­kele trek­ken), Montre­al: Fi­des, 1978.
  • Wy­c­zyns­ki, Paul. Émile Nel­li­gan: bi­o­grap­hie (Émile Nel­li­gan: bi­o­gra­fie), Qué­bec: Bi­bli­o­thèque québé­coi­se, 1999.
Avatar photo
Yoto Yotov

Sinds 2010 wijd ik mijn tijd aan het bevorderen van de dialoog tussen eeuwen en naties, ervan overtuigd dat de menselijke geest overal thuis is. Als u deze visie van een universele cultuur deelt, en als mijn Notes du mont Royal u ooit hebben verlicht of geraakt, overweeg dan een donatie te doen op Liberapay.

Articles : 216