Het Goud van de sikhs: Pracht en universaliteit van de Granth

Ver­taald uit het Frans

Een van de hei­lige vij­vers van In­dia is het « meer van de on­ster­fe­lijk­heid » (Am­rita Sa­ra), in Am­ritsar1Ver­wor­pen vor­men:
« Meer van de on­ster­fe­lijk­heid ».
« Vij­ver van de on­ster­fe­lijk­heid ».
« Bas­sin van de on­ster­fe­lijk­heid ».
« Bas­sin van de on­ster­fe­lijk­heids­drank ».
« Bas­sin van de nec­tar ».
« Meer van de nec­tar ».
« Voor­tref­fe­lijke am­bro­zijn ».
Am­rita Sa­ras.
Umrita-sara.
Umritsar.
Umritsir.
Umretsir.
Amretsir.
Amritsir.
Umbritsir.
Amritsur.
Umritsur.
Umritzer.
Umbritzir.
Amretseyr.
, waar het hart van het sikh­ge­loof klopt. Wie er­heen gaat, wordt mee­ge­voerd door een men­sen­me­nigte in geu­ren van bloe­men en wie­rook en komt met haar aan bij een won­der: een gou­den tem­pel die als een kost­baar ju­weel troont te mid­den van de wa­te­ren. Men ver­wacht er­door be­koord te wor­den en men wordt er­door ver­blind. Een on­be­schrijf­lijk ge­drang van rei­zi­gers, pel­grims en nieuws­gie­ri­gen van « alle ras­sen van In­dia » ver­dringt zich er en roept el­kaar toe « in klank­rijke dia­lec­ten die het oor tref­fen als een fan­fa­re­geschal », ter­wijl kin­de­ren al ren­nend de mar­me­ren ka­den rond­gaan. Deze tem­pel ver­wel­komt ie­der­een zon­der on­der­scheid van ge­slacht of ge­loof. Bin­nenin geen en­kel af­gods­beeld. Het enige voor­werp van ver­e­ring, neer­ge­legd in de grote zaal on­der een bal­da­kijn van bro­kaat, is de Granth, oor­spron­ke­lijk sa­men­ge­steld door Ar­jan, de vijfde goe­roe, en zijn trouwe schrij­ver Bhai Gur­das. « Dag en nacht zon­der op­hou­den, als om een soort van eeu­wig­du­rende aan­bid­ding te ver­we­zen­lij­ken, zin­gen granthi [of­fi­ci­an­ten] on­der deze eer­bied­waar­dige ge­wel­ven frag­men­ten uit het hei­lige boek, be­ge­leid door snaar­in­stru­men­ten. »

Een half millennium van verspreide poëzie

De sikhs dui­den hun hei­lig boek aan als de Adi Granth (het Eer­ste Boek) of de Sri Gourou Granth Sa­hib (het Eer­bied­waar­dige Mees­ter Boek)2Ver­wor­pen vor­men:
Sri Guru Granth Sa­heb.
Siri Guru Granth Sa­hid.
Shri Guru Grant Sa­hib.
Śrī Guru Gran­tha Sāhib.
, maar nog va­ker on­der de vage naam Granth (het Boek)3Ver­wor­pen vor­men:
Grantha.
Grant.
Grântah.
Grandth.
, zo­als de chris­te­nen het hunne de Bijbel (de Boeken) noe­men. Wel­nu, de Granth is een vol­strekt uniek werk in ver­ge­lij­king met de ca­nons van an­dere gods­dien­sten: een fas­ci­ne­rende po­ë­ti­sche bloem­le­zing die niet al­leen de hym­nen en ge­zan­gen van zijn goe­roes be­vat, maar ook die van vroe­gere mys­ti­ci, zo­als sjeik Fa­ri­dud­din, ge­naamd Baba Fa­rid, ge­bo­ren om­streeks 1175. De goe­roes zelf leef­den tus­sen 1469 en 1708 — dat maakt een half mil­len­nium van ver­spreide In­di­ase po­ë­zie, waar­van de on­on­der­bro­ken re­ci­ta­tie (ak­hand path) twee da­gen en twee nach­ten vergt van de granthi die el­kaar zon­der rust af­los­sen. Daarom be­paalde de tiende en laat­ste goe­roe, Go­bind Singh, op zijn sterf­bed, in plaats van een op­vol­ger te be­noe­men, dat deze bun­del voort­aan de eeu­wige zie­len­leids­man zou zijn: « Na mijn dood moet gij u in alle om­stan­dig­he­den tot de Granth Sa­hib wen­den; hij zal uw goe­roe zijn; al­les wat gij hem vraagt, zal hij u to­nen ».

De Gemeenschappelijke Keuken van de broederschap

De fi­lo­so­fie van de Granth is een op­voe­ding van liefde en wel­wil­lend­heid, ge­wor­pen tus­sen de hin­doe­we­reld en de is­la­mi­ti­sche we­reld. Van de eer­ste neemt zij de de­vo­tie (bhakti) over zon­der de af­go­den noch het juk van de kas­ten. Van de tweede — het mo­no­theïsme en het soefi-e­lan zon­der de sha­ria. Door zich van de hoge po­ë­zie te be­die­nen, geeft zij een beeld van wat een le­ven kan zijn dat het waard is ge­leefd te wor­den, een waar le­ven; wat haar ver­heft tot de rang van uni­ver­sele gods­dienst. Haar ge­bed ein­digt stee­vast met deze wen­sen voor de ge­hele mens­heid: « Moge Uw wil, o Heer, een­ie­der en al­len vrede en ge­luk bren­gen, in de hele we­reld ». Bhai Gur­das, reeds ge­noemd, legt uit:

« Hij [de sikh] leeft waar­lijk een le­ven van op­of­fe­ring, het le­ven van een slaaf van de Heer die hij lief­heeft. […] In zijn liefde ver­geet hij hon­ger en slaap. Zijn han­den zijn on­op­hou­de­lijk be­zig met het hel­pen van hen die in nood ver­ke­ren en het troos­ten van hen die ter­neer­ge­sla­gen zijn. […] Groot­moe­dig, ver­draag­zaam en se­reen, leeft hij om de mens­heid te die­nen. »

Lad­a­me, Paul-A­lexis, « Les Sikhs » (« De sikhs »), Ca­hiers d’é­tu­des ca­tha­res, nr. 147, herfst 1995, p. 3-38.

De goe­roes heb­ben een ab­so­lute ge­lijk­heid ge­pre­dikt, die haar meest con­crete uit­druk­king vindt in de langar. Dit woord duidt de eet­zaal aan die bij de tem­pels hoort en de ge­meen­schap­pe­lijke maal­tijd die er wordt ge­ser­veerd, open voor ie­der­een. « De langar, in­ge­steld door de eer­ste goe­roe, […] Na­nak, was bij­zon­der ori­gi­neel en ra­di­caal in In­dia waar er eeu­wen­lang […] ver­bo­den gol­den, en nog steeds gel­den, be­tref­fende de per­so­nen met wie men eet ». Men zegt dat kei­zer Ak­bar in ei­gen per­soon, de ver­draag­zaamste van de Mo­gol­heer­sers, zich naar deze on­voor­waar­de­lijke gast­vrij­heid voeg­de, door plaats te ne­men in de rijen der ge­rin­gen om met hen de maal­tijd te de­len4Vol­gens een wei­nig be­trouw­bare over­le­ve­ring maakte deze epi­sode zulk een in­druk op de vorst dat hij het ter­rein schonk waar de sikhs het « meer van de on­ster­fe­lijk­heid » zou­den gra­ven..

« “Bouw het vlot van de con­tem­pla­tie, erop zul je on­ge­hin­derd over­ste­ken,
En je zult noch op de oce­aan noch op het ge­tij stui­ten. […]
Hij die zijn ego be­dwingt, zich van het ’ik’ ont­doet en zich op die wijze ver­rijkt. […]
Men scheidt niet meer als men zich waar­lijk met de Heer ver­e­nigt.
Dan houdt het ko­men en gaan op, en men ont­waart overal de Heer.”5Sri Gourou Granth Sa­hib, dl. III, vert. uit het Pend­ja­bi, het Hin­di, het Per­zisch en ver­schei­dene In­di­ase dia­lec­ten door Jar­nail Singh, p. 869.

In een zeer sym­bo­li­sche taal vat dit ge­dicht op be­won­de­rens­waar­dige wijze de [sik­h-]leer sa­men. Het ego (haumai, “ik-zelf”) van de mens […] is ge­van­gen in het ma­te­ri­ële le­ven en zijn fou­ten, voor­ge­steld door de oce­aan en het ge­tij. Daar­door […] kan hij de an­dere oe­ver niet be­rei­ken, die van de uit­ein­de­lijke be­vrij­ding (nirvanu) […]. De mens moet dus zijn gees­te­lijke es­sen­tie (manu) zui­ve­ren, haar los­ma­ken uit het om­hul­sel van het “ik-zelf” en zich daar­door aan­ge­naam ma­ken voor God »

Ma­trin­ge, De­nis, Les Sikhs : his­toire et tra­di­tion des « Li­ons du Pan­jab » (De sikhs: ge­schie­de­nis en tra­di­tie van de « Leeu­wen van de Pan­jab »), Pa­rijs: Al­bin Mi­chel, coll. « Planète Inde », 2008.

Een aards Jeruzalem

De avond valt over de Pend­jab, en de gou­den tem­pel om­ringt zich met snoe­ren van olie­lamp­jes « waar­van de weer­spie­ge­lin­gen in het wa­ter hem doen hui­ve­ren met het ge­flon­ker van een schat » (Mir­cea Eli­a­de). De be­schou­wer be­denkt dan dat deze plek veel meer is dan zij lijkt. Het is het vi­si­oen van een stad die al­tijd « schit­te­rend […] haar dui­zen­den stra­lende koe­pels edel aan de blik­ken aan­biedt […] waarop het licht […] valt en te­rug­kaatst in een ver­blin­dende ne­vel » (La­m­ar­ti­ne). Het is de be­lofte van een stad die de mens met zijn me­de­mens ver­zoent, zo­als met zichzelf, en waar­van het oor­spron­ke­lijke Je­ru­za­lem mij elke dag ver­der ver­wij­derd lijkt te ra­ken:

« Voor een chris­ten lijkt de tem­pel van Am­ritsar een voor­af­beel­ding van het he­melse Je­ru­za­lem, de stad waar­van de Open­ba­ring zegt dat haar poor­ten nooit ge­slo­ten zul­len wor­den om alle vol­ke­ren te ont­van­gen6Et am­bu­la­bunt gen­tes in lu­mine ejus, et re­ges terræ af­fe­rent glo­riam suam et ho­no­rem in il­lam. Et portæ ejus non clau­den­tur per diem; nox enim non erit il­lic (De vol­ke­ren zul­len in zijn licht wan­de­len, en de ko­nin­gen der aarde zul­len er hun glo­rie bren­gen. Dag na dag zul­len de poor­ten nooit ge­slo­ten wor­den, want er zal geen nacht meer zijn). Openb. 21, 24-25 (La Bi­ble : tra­duc­tion of­fi­cielle li­tur­gique). voor de troon van God en het Lam. In­der­daad is er op deze plek de aan­kon­di­ging van een ver­zoende mens­heid, des te aan­grij­pen­der wan­neer men de pijn­lijke ge­schie­de­nis van de Pend­jab en het sik­hisme kent. »

Va­gneux, Yann, « Le Tem­ple d’or » (« De Gou­den Tem­pel »), La Croix, 12 ja­nu­ari 2024.


Om verder te lezen

Rond Sri Gourou Granth Sahib, dl. I

Citaten

« Op tien­ja­rige leef­tijd is men een kind,
De jeugd toont zich op twin­tig­ja­rige leef­tijd;
En op der­tig­ja­rige leef­tijd is men trots op zijn schoon­heid.
Men bloeit op veer­tig­ja­rige leef­tijd,
Op vijf­tig­ja­rige leef­tijd heeft men geen vaste tred,
En op zes­tig­ja­rige leef­tijd haalt de ou­der­dom de mens in.
Op ze­ven­tig­ja­rige leef­tijd ver­zwakt het ver­stand,
Op tach­tig­ja­rige leef­tijd is men niet meer in staat te wer­ken.
Op ne­gen­tig­ja­rige leef­tijd is men voor­goed bed­le­ge­rig,
En de kracht ont­breekt ons vol­ko­men.
Na­nak, ik heb overal ge­zocht,
Ik heb be­gre­pen dat de we­reld slechts een rook­kas­teel is. »

Sri Gourou Granth Sa­hib, dl. I, vert. uit het Pend­ja­bi, het Hin­di, het Per­zisch en ver­schei­dene In­di­ase dia­lec­ten door Jar­nail Singh, Pro­vi­den­cia­les: In­tel­lec­tual Ser­vi­ces In­ter­na­ti­o­nal, 1996.

Downloads

Geluidsopnamen
Gedrukte werken

Rond Sri Gourou Granth Sahib, dl. II

Citaten

« De rij­ken zijn trots op hun rijk­dom­men;
De land­ei­ge­na­ren zijn trots op hun gron­den;
De ko­ning is trots op zijn grond­ge­bied;
Maar voor [de] vrome is Zijn steun al­les.
Als ie­mand steunt op de Wa­re, de Heer,
Helpt de Mees­ter hem met al Zijn macht, en hij kent geen ne­der­laag.
Wan­neer men elke an­dere steun ver­laat en de toe­vlucht van de Heer zoekt,
[…] komt de Heer in onze geest wo­nen. »

Sri Gourou Granth Sa­hib, dl. II, vert. uit het Pend­ja­bi, het Hin­di, het Per­zisch en ver­schei­dene In­di­ase dia­lec­ten door Jar­nail Singh, Pro­vi­den­cia­les: In­tel­lec­tual Ser­vi­ces In­ter­na­ti­o­nal, 1996.

Downloads

Geluidsopnamen
Gedrukte werken

Rond Sri Gourou Granth Sahib, dl. III

Citaten

« De dood heerst in de we­reld; waar­lijk, zij is als een zand­kas­teel.
Dit kas­teel ver­dwijnt plot­se­ling, als pa­pier in de re­gen.
O mijn wan­ke­lende geest, over­denk de waar­heid goed!
Sid­dha’s, yo­gi’s, adep­ten, huis­va­ders, uit­ein­de­lijk ver­trek­ken zij al­len van hier.
Vluch­tig als de droom van de nacht is de we­reld,
Al­les wat wij zien zal op een dag ver­dwij­nen,
Dus, o on­we­ten­de, waarom hecht gij u aan de lucht­spie­ge­ling?
Waar zijn uw broe­ders? Waar zijn uw vrien­den? Kijk goed!
Som­mi­gen zijn ver­trok­ken, an­de­ren zul­len ver­trek­ken, ie­der op zijn beurt. […]
Na­nak is Uw die­naar, o Heer, red mijn eer! »

Sri Gourou Granth Sa­hib, dl. III, vert. uit het Pend­ja­bi, het Hin­di, het Per­zisch en ver­schei­dene In­di­ase dia­lec­ten door Jar­nail Singh, Pro­vi­den­cia­les: In­tel­lec­tual Ser­vi­ces In­ter­na­ti­o­nal, 1996.

Downloads

Geluidsopnamen
Gedrukte werken

Rond Sri Gourou Granth Sahib, dl. IV

Citaten

« Men jam­mert en men klaagt; het is de da­ge­lijkse sleur,
Men her­in­nert zich zijn (ge­stor­ven) ver­wan­ten om wat zij ons ge­bracht heb­ben.
Maar als men zich be­wust van de we­reld los­maakt,
Sterft men niet meer, wordt men niet meer ge­bo­ren en lijdt men geen smart.
Elk con­flict komt voort uit de ver­strik­king van de Maya [de Il­lu­sie],
Zeld­zaam is de per­soon die op de Naam [van de Heer] steunt.
De Maya met drie hoe­da­nig­he­den7Het be­treft wat de hin­doe­kos­mo­lo­gie het triguna noemt, of de drie hoe­da­nig­he­den van de Maya: de goed­heid, de harts­tocht, de duis­ter­nis. « Deze hoe­da­nig­he­den zijn in God aan­we­zig als schijn­bare ver­schijn­se­len eer­der dan als wer­ke­lij­ke, want [men] her­haalt ons tot ver­za­di­gens toe: “God heeft geen hoe­da­nig­he­den”, Hij heeft geen guna [at­tri­bu­ten], aan­ge­zien niets Hem be­perkt, dat Hij niet op de ene ma­nier eer­der dan op de an­dere kan zijn, maar dat Hij op alle ma­nie­ren is, “vol­strekt” » (Alfred Rous­sel). be­heerst de hele we­reld,
Al wie zich er­aan hecht, lijdt smart. »

Sri Gourou Granth Sa­hib, dl. IV, vert. uit het Pend­ja­bi, het Hin­di, het Per­zisch en ver­schei­dene In­di­ase dia­lec­ten door Jar­nail Singh, Pro­vi­den­cia­les: In­tel­lec­tual Ser­vi­ces In­ter­na­ti­o­nal, 1996.

Downloads

Geluidsopnamen
Gedrukte werken

Bibliografie

Avatar photo
Yoto Yotov

Sinds 2010 wijd ik mijn tijd aan het bevorderen van de dialoog tussen eeuwen en naties, ervan overtuigd dat de menselijke geest overal thuis is. Als u deze visie van een universele cultuur deelt, en als mijn Notes du mont Royal u ooit hebben verlicht of geraakt, overweeg dan een donatie te doen op Liberapay.

Articles : 312