Akutagawa Ryûnosuke, of de schoonheid van de laatste blik

Ver­taald uit het Frans

«Een vage on­rust. » (Bon’y­ari shita fu­an.) Deze woor­den, haas­tig neer­ge­schre­ven door Ak­ut­a­gawa Ryû­no­suke1Ver­wor­pen vor­men:
Acu­ta­gawa Ryu­no­su­che.
Ak­ut­a­gawa Ri­unos­ké.
Akouta­gawa Ryu­no­sou­ké.
Akouta­ga­oua Ry­ou­no­sou­ké.
Akouta­gava Ry­ou­no­sou­ke.
voor­dat hij bij het och­tend­glo­ren van 24 juli 1927 het gif in­nam, zijn als de sleu­tel tot al zijn ge­schrif­ten. Hij was vijf­en­der­tig jaar oud. Hij liet zo’n hon­derd­vijf­tig no­vel­len na waarin « de pracht van de kunst en de kwel­lin­gen van het be­staan sa­men­span­nen om zijn werk een on­na­volg­bare aura te ver­le­nen »2Zhao Yu­jiao, in haar ver­ta­ling van Ras­hô­mon: keuze uit de no­vel­len van Ak­ut­a­gawa Ryû­no­suke (罗生门:芥川龙之介短篇小说选), Kun­ming: Yun­nan Volks­uit­ge­ve­rij, 2015. Vert. uit het Chi­nees door mij­zelf. — en de ver­bijs­te­ring van een Ja­pan dat in deze dood duis­ter het einde van een tijd­perk voor­voel­de.

In het huis van Hades

Veel ont­wik­kelde Ja­pan­ners heb­ben in hun jeugd een pe­ri­ode door­ge­maakt die sterk ge­te­kend was door deze dis­creet in­tel­lec­tu­ele schrij­ver, door­trok­ken van een zor­ge­loze iro­nie, maar die, on­der een non­cha­lant ui­ter­lijk, slecht iets ner­veus, iets on­rus­tigs, iets on­ze­kers weet te ver­ber­gen, ge­lijk aan die cour­ti­sa­nes wier in­ne­mende glim­lach er niet in slaagt het on­be­ha­gen te ver­hul­len dat in hun bin­nen­ste op­welt en dat, op een ge­ge­ven ogen­blik, aan de op­per­vlakte van het be­staan op­bor­relt om het te over­spoe­len. Zo waart, sinds zijn raad­sel­ach­tige zelf­moord, de ziel van Ak­ut­a­gawa rond in de Ja­panse let­te­ren. Endô Shûsaku ver­haalt deze ob­se­de­rende droom:

« Ik be­vond mij in een don­kere ka­mer, te­gen­over Ak­ut­a­gawa Ryû­no­su­ke. Hij stond voor mij zon­der een woord te zeg­gen, het hoofd ge­bo­gen en de ar­men ge­kruist over zijn ver­sle­ten ki­mono van grijze kleur. Hij stond plot­se­ling op, schoof het bam­boe­gor­dijn ach­ter zich op­zij en be­trad de aan­gren­zende ka­mer. Ik wist dat het het rijk der do­den was. […] Toen werd ik wak­ker. Waarom toch had ik zo dik­wijls zulke mor­bide dro­men? Naast mij sliep mijn echt­ge­note vre­dig. »

Endô, Shûsaku, Une femme nom­mée Shizu : nou­vel­les (Een vrouw ge­naamd Shi­zu: no­vel­len), vert. uit het Ja­pans door Minh Nguy­en-Mord­vi­noff, Pa­rijs: Deno­ël, reeks « Em­preinte », 1997.

Hoe hier niet aan de Ilias te den­ken, wan­neer Achil­les in een droom de schim van Pa­tro­klos ziet en de ar­men uit­strekt om haar te grij­pen, te­ver­geefs: « De ziel was on­der de aarde ver­dwe­nen, ge­lijk een rook […] / He­laas! er is dus, zelfs in het huis van Ha­des, / Een ziel, of an­ders een schim »? Zo keert Ak­ut­a­gawa te­rug, ver­trouwde schim, in de her­in­ne­ring van een volk dat wei­gert hem ge­heel en al in het huis van Ha­des te la­ten ver­dwij­nen.

In het teken van de Draak

« Ak­ut­a­gawa kreeg de voor­naam Ryû­no­su­ke, “Zoon van de Draak”, om­dat hij ge­bo­ren was op 1 maart 1892, op het uur van de Draak, op de dag van de Draak, in de maand van de Draak van het jaar van de Draak. »3Ri­chard Col­las­se, Dic­ti­on­naire amou­reux du Ja­pon (Lief­des­woor­den­boek van Ja­pan), lemma « Ak­ut­a­gawa Ryū­no­suke ». De waan­zin van zijn moe­der, wan­neer hij pas en­kele maan­den oud is, laat hem veel­eer de schrik van een ver­vloekte er­fe­lijk­heid na. Het kind wordt op­ge­no­men door de fa­mi­lie van moe­ders­zij­de, een oud ge­slacht van die­na­ren van het sho­gu­naat, dat hem voedt met de Chi­nese en Ja­panse klas­sie­ken. De bot­sing van dit tra­di­ti­o­nele Oos­ten met het he­den­daagse Wes­ten — Mé­ri­mée, Ana­tole Fran­ce, Poe, enz. — maakt van hem « [een] ver­scheurd, ver­deeld, uit­een­ge­re­ten mens; [een] dub­bele en te­gen­strij­dige mens »4Claude Roy, in zijn voor­woord bij Ras­hô­mon et au­tres con­tes (Ras­hô­mon en an­dere ver­ha­len).. Dit on­ge­mak van het be­staan, ken­mer­kend voor zijn ge­ne­ra­tie, zul­len zijn no­vel­len pre­ci­se­ren en ver­ster­ken tot een soort ob­ses­sie. Toch was van alle Ja­panse schrij­vers nie­mand be­ter ge­neigd dan Ak­ut­a­gawa om zijn toe­vlucht te zoe­ken in de kunst. Hij be­schreef zichzelf als een le­zer, ge­ze­ten op de lad­der van een boek­han­del, van daar­bo­ven neer­kij­kend op de klein­heid van de ver­ko­pers en klan­ten die tus­sen de rek­ken in de weer wa­ren: « Het men­se­lijk le­ven is nog geen en­kele re­gel van Bau­de­laire waard » (Jin­sei wa ichi­gyô no Bô­dorêru ni mo shi­ka­nai), zei hij.

Het verblindende spel van de poppenspeler

Ak­ut­a­gawa had zich op vier­en­twin­tig­ja­rige leef­tijd doen gel­den als de vorst van het korte ver­haal. Als lie­ve­lings­leer­ling van Nat­sume Sô­seki was hij zelfs be­oogd als schoon­zoon van de mees­ter. Zijn zo­ge­he­ten « his­to­ri­sche » no­vel­len — Rashômon, In het struik­ge­was (Yabu no naka), enz. —, waarin hij een uit­ge­spro­ken mo­derne spleen ver­mengt met « de stem­men die we­nen, de stem­men die la­chen » van het oude Ja­pan, blij­ven zijn be­roemd­ste. Wat men daarin be­won­dert, is niet de nauw­keu­rig­heid van de his­to­ri­cus, maar de bur­leske pop­pen, de hui­ve­ring­wek­kende ma­ri­o­net­ten van de ker­mis­klant, die hij aan on­zicht­bare dra­den laat dan­sen door « [zijn] weel­de­rige eru­di­tie, [zijn] over­scherpe ge­voe­lig­heid, [zijn] aan­ge­bo­ren ge­voel voor het drama »5Ge­or­ges Bon­neau, His­toire de la lit­té­ra­ture ja­po­n­aise con­tem­po­raine (1868-1938) (Ge­schie­de­nis van de he­den­daagse Ja­panse li­te­ra­tuur (1868-1938)).:

« De hele we­reld
In een doos ge­stopt
De pop­pen­spe­ler »
(Yo no naka wa / Hako ni ire­tari / Ka­i­raishi)

Cha­va­nes, Ed­wige de, « Ak­ut­a­gawa Ryū­no­suke (1892-1927) ». In Ci­néma et lit­té­ra­ture au Ja­pon : de l’ère Meiji à nos jours (Film en li­te­ra­tuur in Ja­pan: van het Meij­i-tijd­perk tot he­den), on­der red. van Max Tes­sier, Pa­rijs: Cen­tre G. Pompi­dou, reeks « Ci­néma sin­gu­lier », 1986, p. 44-45.

Je­an-Jacques Ori­gas merkt op: « De au­teur leek zich te ont­trek­ken: had hij niet no­vel­len­bun­dels ge­ti­teld De pop­pen­spe­ler [Kairaishi] en Schimmenmolen [Kagetôrô]? En toch be­speurde de le­zer zijn aan­we­zig­heid in elke re­gel ». Dit schim­men­spel be­reikt zijn hoog­te­punt in Helse fi­gu­ren (Jigokuhen), waarin de schil­der Yo­s­hi­hi­dé, om zijn fresco te vol­tooi­en, zijn ei­gen doch­ter le­vend voor zijn ogen ziet ver­bran­den en zich ver­vol­gens op­hangt. De vol­maakte kunst is im­mers ver­want aan de vlam die le­vend voed­sel ver­eist. En Ak­ut­a­gawa zal er een ere­zaak van ma­ken zich er tot vrij­wil­lig slacht­of­fer van te ma­ken.

Als martelaar van de kunst

« Plot­se­ling ver­scheen [de pop­pen­spe­ler] in ei­gen per­soon, te­mid­den van de de­cors van het wer­ke­lijke le­ven. En in vaak hart­ver­scheu­rende wer­ken be­schreef hij […] de ob­ses­sies die hem gaan­de­weg over­vie­len en die hem zou­den mee­sle­pen. » In 1927 dic­teert de ont­bin­ding van zijn ver­stand on­der mor­bide ob­ses­sies en som­bere ver­lus­ti­gin­gen zijn laat­ste mees­ter­wer­ken: zij wordt ge­grijns in Kappa, hal­lu­ci­na­tie in Raderwerk (Haguruma), waan­zin in Het le­ven van een dwaas (Aru ahô no is­shô). « Ik ben im­mers de zoon van een krank­zin­nige », be­kent hij in de Brief aan een oude vriend (Aru ky­ûyû e ok­uru shuki), ge­schre­ven aan de voor­avond van zijn dood. En hij voegt er­aan toe: « Mis­schien zul je la­chen om de te­gen­strij­dig­heid waarin ik ver­keer, ik die, hoe­wel ik de schoon­heid van de na­tuur lief­heb, be­sluit mij van het le­ven te be­ro­ven. Maar de na­tuur is schoon om­dat zij zich weer­spie­gelt in mijn laat­ste blik… » Ka­wab­ata Yasunari wist het tra­gi­sche van deze laat­ste gloed te ver­woor­den: « Mee­stal zie­ke­lijk en ver­zwakt, ont­vlamt [hij] op het al­ler­laat­ste ogen­blik al­vo­rens ge­heel te do­ven. »6Ka­wab­ata Yasuna­ri, De laat­ste blik (Matsugo no me), niet in het Frans ver­sche­nen. Zo doofde de Zoon van de Draak, als mar­te­laar van de kunst, met de Bij­bel open­ge­sla­gen, bij het ge­luid van de val­lende re­gen. Shiga Na­oya, toen hij van zijn dood ver­nam, sprak deze woor­den van be­won­de­rens­waar­dige in­ge­to­gen­heid: « Hij kon niet an­ders. »


Verder lezen

Rond « Halverwege het leven van Shinsuke Daidôji »

Citaten

« Sh­in­suke had die ar­moede ge­haat. Nee, ook van­daag nog be­waart hij in het diepst van zijn hart een echo van de haat uit die tijd, on­uit­wis­baar. Hij kon geen boe­ken ko­pen, noch de zo­mer­cur­sus­sen vol­gen, noch een nieuwe jas dra­gen. Maar zijn ka­me­ra­den ge­no­ten al die voor­rech­ten. Hij had hen be­nijd. En zelfs, soms, be­ja­loersd. Toch wei­gerde hij die af­gunst, die ja­loe­zie toe te ge­ven. Want hij had slechts min­ach­ting voor hun in­tel­lec­tu­ele ver­mo­gens. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, « À mi-che­min de la vie de Sh­in­suke Daidôji : ta­bleau d’une psy­cho­lo­gie » (« Hal­ver­wege het le­ven van Sh­in­suke Daidôji: schets van een psy­cho­lo­gie »), vert. uit het Ja­pans door Ed­wige de Cha­va­nes. In An­tho­lo­gie de nou­vel­les ja­po­n­ai­ses con­tem­po­rai­nes. 1 (Bloem­le­zing van he­den­daagse Ja­panse no­vel­len. 1), Pa­rijs: Gal­li­mard, reeks « Du monde en­tier », 1986.

Rond Paardenbenen

Citaten

« Han­za­burô werd op­nieuw door ver­bijs­te­ring be­van­gen. Vol­gens dit ge­sprek was hij, ten eer­ste, dood. Ten tweede wa­ren er al drie da­gen ver­stre­ken. Ten derde wa­ren zijn be­nen ont­bon­den. Dit al­les was ab­surd. Kom, ge­hoor­zaam­den zijn be­nen hem niet zo­als… Nau­we­lijks wilde hij een voet naar vo­ren zet­ten of hij slaakte een luide kreet. Niet zon­der re­den. Met een witte broek met on­be­ris­pe­lijke vouw en bij­pas­sende schoe­nen bo­gen zijn beide be­nen door on­der de wind die door het raam naar bin­nen kwam! Bij die aan­blik twij­felde Han­za­burô bijna aan zijn ei­gen ogen. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, Jam­bes de che­val (Paardenbenen), vert. uit het Ja­pans door Ca­ther­ine An­cel­ot, na­woord van Ni­no­miya Masayu­ki, Pa­rijs: Les Bel­les Let­tres, reeks « Col­lec­tion Ja­pon. Sé­rie Fic­tion », 2013.

Rond « De watersnip »

Citaten

« Juist op dat ogen­blik hoorde men bui­ten ge­schreeuw; wel­dra kwa­men haas­tige voet­stap­pen de trap op, en een ogen­blik la­ter ging de deur met een ruk open. Vijf of zes per­so­nen, man­nen, vrou­wen en kin­de­ren, storm­den de ka­mer bin­nen, elk iets an­ders roe­pend.

“Pa­pa, we heb­ben hem ge­von­den”, riep Ilia vro­lijk, die voor­op­liep en de wa­ter­snip om­hoog­hield. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, « La bé­cas­sine » (« De wa­ter­snip »), vert. uit het Ja­pans door Ho­ri­guchi Dai­gaku, Ja­pon et Ex­trê­me-O­rient (Ja­pan en het Verre Oos­ten), nr. 7-8 (ju­li-au­gus­tus 1924), p. 1-12.

Downloads

Gedrukte werken

Rond « Het geloof van Wei Cheng »

Citaten

« Met een som­bere frons be­gon Wei Cheng met steeds snel­lere pas de zand­bank af te lo­pen waar­over de scha­duw van de nacht kroop. On­der­tus­sen won­nen de wa­te­ren van de ri­vier lang­zaam, duim voor duim, voet voor voet, ter­rein op de zand­bank, ter­wijl de geur van wier en wa­ter die van de ri­vier op­steeg, ijs­koud, aan zijn huid be­gon te kle­ven. Hij hief zijn ogen op: daar­ginds, bo­ven de brug, was de lich­tende glans van de on­der­gaande zon reeds ge­doofd en al­leen de ba­lus­ters van de ste­nen borst­we­ring, ge­heel zwart, te­ken­den zich in scherpe lij­nen af te­gen de nacht­blauw ge­wor­den he­mel. Maar de vrouw komt nog steeds niet. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, « La foi de Wei Cheng » (« Het ge­loof van Wei Cheng »), vert. uit het Ja­pans door Ed­wige de Cha­va­nes. In Les noix, la mou­che, le ci­tron (De no­ten, de vlieg, de ci­troen), Ar­les: Édi­ti­ons P. Picqui­er, 1991.

Rond De tovenares

Citaten

« 「俊さん。」――さう云ふ声が一瞬間、信子の唇から洩れようとした。実際俊吉はその時もう、彼女の俥のすぐ側に、見慣れた姿を現してゐた。が、彼女は又ためらつた。その暇に何も知らない彼は、とうとうこの幌俥とすれ違つた。薄濁つた空、疎らな屋並、高い木々の黄ばんだ梢、――後には不相変人通りの少い場末の町があるばかりであつた。

「秋――」

信子はうすら寒い幌の下に、全身で寂しさを感じながら、しみじみかう思はずにゐられなかつた。 »

op Wikisource 日本語, [on­li­ne], ge­raad­pleegd op 10 juli 2026.

« “S­hun-san!” Een se­conde lang dreigde die kreet aan haar lip­pen te ont­snap­pen. Wer­ke­lijk ver­scheen op dat ogen­blik Shun­ki­chi met zijn ver­trouwde ge­stalte vlak naast het rij­tuig. Zij aar­zelde op­nieuw. Hij, zon­der iets te ver­moe­den, haalde ten slotte het rij­tuig met kap in. De grauwe he­mel, de on­re­gel­ma­tige da­ken van de hui­zen, de stam van de grote bo­men die hun tak­ken uit­spreid­den… Toen was er al­leen nog de voor­stad, met haar wei­nig be­gane stra­ten. On­der de lich­te­lijk koude kap voelde No­buko met elke ve­zel van haar li­chaam de wee­moed van het herfst­sei­zoen en, te­gen wil en dank, ont­snapte een lichte kreet aan haar lip­pen. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, La ma­gi­ci­enne (De to­ve­na­res), vert. uit het Ja­pans door Éli­sa­beth Suetsugu, Ar­les: P. Picqui­er, 1999.

« “S­uns­an!” Die roep zou aan No­buk­o’s mond ont­snap­pen. In­der­daad ver­scheen op dat ogen­blik de ver­trouwde ge­stalte van haar neef naast de kuruma7Al­les wat rolt, is in Ja­pan kuruma.. Maar No­buko aar­zelde op­nieuw en Sun­ki­ti, die de aan­we­zig­heid van zijn nicht in het ge­heel niet ver­moed­de, haalde het rij­tuig in.

Een som­bere he­mel, de on­ge­lijke da­ken van een een­zame voor­stad, de ge­kleurde bla­de­ren van de hoge bo­men, het land­schap van de don­kere straat dat zich ont­rol­de… En in haar kuruma waar de frisse avond­lucht al bin­neng­leed, ter­wijl zij met heel haar we­zen een pijn­lijke een­zaam­heid voel­de, kon No­buko niet na­la­ten bij zichzelf te zeg­gen: “De herfst!”. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, « L’­au­tomne » (« De herfst »), vert. uit het Ja­pans door Si­o­den Hu­miko (S­hi­o­den Fu­mi­ko), Extrême-Asie (Verre Azië), nr. 46 (april 1930), p. 205-212.

« Zou No­buko roe­pen: “S­hun-san!” Die kreet dreigde aan haar lip­pen te ont­sprin­gen. De ver­trouwde ge­stalte van Shun-ki­chi be­vond zich juist op dat ogen­blik naast haar rik­sja. Zij aar­zelde nog eens, en Shun-ki­chi, die ner­gens iets van ver­moed­de, ging voor­bij.

De iet­wat be­trok­ken he­mel, de ver­spreide hui­zen, de hoge geel ge­wor­den boom­top­pen… Aan haar ho­ri­zon bleef en­kel nog de klei­ne, verre wijk over, met haar weg vol zeld­zame voor­bij­gan­gers. “De herfst!”, dacht No­buko, on­der het koude dek­zeil van de riks­ja, en de wan­hoop van de een­zaam­heid over­viel haar plot­se­ling ge­heel en al. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, « Le nez • L’­au­tomne » (« De neus • De herfst »), vert. uit het Ja­pans door Kaze Kei­ta, Les Œu­vres li­bres (De vrije wer­ken), nr. 106 (maart 1955), p. 108-124.

« 横浜の或亜米利加人へ雛を売る約束の出来たのは十一月頃のことでございます。紀の国屋と申したわたしの家は親代々諸大名のお金御用を勤めて居りましたし、殊に紫竹とか申した祖父は大通の一人にもなつて居りましたから、雛もわたしのではございますが、中々見事に出来て居りました。 »

op Ao­zora Bun­ko, [on­li­ne], ge­raad­pleegd op 10 juli 2026.

« Er werd dus be­loofd de pop­pen om­streeks de maand no­vem­ber af te staan aan een Ame­ri­kaan uit Yo­ko­ha­ma. Mijn fa­mi­lie, die de naam Ki­nok­uniya draagt, had van ge­ne­ra­tie op ge­ne­ra­tie de rol van schuld­ei­ser bij de dai­myô’s ver­vuld, en mijn groot­va­der die, meen ik, Shi­chiku heet­te, was een man be­dre­ven in de ver­ma­ken. Met ver­on­acht­za­ming van de be­schei­den­heid die mijn woor­den zou moe­ten nu­an­ce­ren, moet ik wel zeg­gen dat deze pop­pen, mijn pop­pen dus, van een zeer schone ma­ke­lij wa­ren. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, La ma­gi­ci­enne (De to­ve­na­res), vert. uit het Ja­pans door Éli­sa­beth Suetsugu, Ar­les: P. Picqui­er, 1999.

« De ver­bin­te­nis om de pop­pen te ver­ko­pen aan een in Yo­ko­hama wo­nende Ame­ri­kaan werd in de maand no­vem­ber aan­ge­gaan. Sinds ge­ne­ra­ties leende ons huis, waar­van de han­dels­naam Ki­nok­uni-ya was, geld uit aan de fe­o­dale he­ren. Het was mijn groot­va­der, Shi­chiku ge­naamd, een man vol er­va­ring en ont­hecht van de goe­de­ren de­zer we­reld, die mij de pop­pen had ge­ge­ven; zij wa­ren niet­te­min, ik mag het wel zeg­gen, van een uit­ste­kende ma­ke­lij. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, « Les pou­pées » (« De pop­pen »), vert. uit het Ja­pans door Serge Elis­séeff (Serge Elis­sée­v), Ja­pon et Ex­trê­me-O­rient (Ja­pan en het Verre Oos­ten), nr. 4 (maart 1924), p. 327-346; her­dr. in Neuf nou­vel­les ja­po­n­ai­ses (Ne­gen Ja­panse no­vel­len), Pa­rijs: G. Van Oest, 1924.

Downloads

Gedrukte werken

Rond Het leven van een dwaas en andere novellen

Citaten

« […] ik moest er­gens een ver­keerde weg zijn in­ge­sla­gen, want plot­se­ling stond ik voor de rouwzaal van Aoy­a­ma. Het was wel tien jaar ge­le­den dat ik nog langs dat ge­bouw was ge­ko­men, pre­cies sinds de uit­vaart­plech­tig­heid van Nat­sume Sô­se­ki. Ook tien jaar eer­der was ik niet ge­luk­kig. Maar ik had ten min­ste vre­de. Met mijn ogen ge­richt op de grind­vlakte die zich bin­nen de poort uit­strek­te, zag ik op­nieuw de ba­na­nen­boom van de “Villa Sô­se­ki”. Ik kon niet na­la­ten te voe­len dat ook mijn le­ven aan zijn einde was ge­ko­men. En even­min kon ik mij ver­we­ren te­gen het ge­voel dat het niet het toe­val was dat, na tien jaar, mijn schre­den tot hier had ge­leid. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, La vie d’un idiot et au­tres nou­vel­les (Het le­ven van een dwaas en an­dere no­vel­len), vert. uit het Ja­pans door Ed­wige de Cha­va­nes, voor­woord van Je­an­nine Ko­h­n-É­tiem­ble, Pa­rijs: Gal­li­mard, reeks « Con­nais­sance de l’O­rient », 1987.

Rond « De Christus van Nanking »

Citaten

« Op dat­zelfde ogen­blik viel het beeld van Chris­tus dat aan de muur hing met veel ge­raas naar be­ne­den. Een zware stilte duurde en­kele se­con­den. Toen raapte de jonge Chi­ne­se, be­van­gen door een grote ge­heim­zin­nige ont­roe­ring, het beeld op en keek op­nieuw naar het ge­laat van de zwij­gende vreem­de­ling en naar het ge­laat van Chris­tus. Zij bleef ont­roerd. Het ge­laat van de hei­lige Chris­tus ge­leek merk­waar­dig op dat van de vreem­de­ling. Plot­se­ling ver­scheen een hel­dere glim­lach op het bleke ge­zicht van de Chi­nese en zij na­derde deze man met een uit­druk­king van vreug­de. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, « Le Christ de Nan­kin » (« De Chris­tus van Nan­king »), vert. uit het Ja­pans door Matsuo Kuni (Matsuo Kuni­no­su­ke), Bifur, nr. 8 (juni 1931), p. 97-100.

Downloads

Gedrukte werken

Rond De kikkers

Citaten

« 渡辺の橋の供養の時、三年ぶりで偶然袈裟にめぐり遇った己は、それからおよそ半年ばかりの間、あの女と忍び合う機会を作るために、あらゆる手段を試みた。そうしてそれに成功した。いや、成功したばかりではない、その時、己は、己が夢みていた通り、袈裟の体を知る事が出来た。が、当時の己を支配していたものは、必しも前に云った、まだあの女の体を知らないと云う未練ばかりだった訳ではない。己は衣川の家で、袈裟と一つ部屋の畳へ坐った時、既にこの未練がいつか薄くなっているのに気がついた。それは己がもう童貞でなかったと云う事も、その場になって、己の欲望を弱める役に立ったのであろう。しかしそれよりも、主な原因は、あの女の容色が、衰えていると云う事だった。 »

袈裟と盛遠 op Ao­zora Bun­ko, [on­li­ne], ge­raad­pleegd op 10 juli 2026.

« Na drie jaar zon­der haar te heb­ben ge­zien, trof ik haar bij toe­val weer aan tij­dens de rei­ni­gings­plech­tig­heid van de nieuwe brug van Wat­a­na­be, en ver­vol­gens wendde ik zes maan­den lang alle lis­ten ter we­reld aan om haar in het ge­heim te ont­moe­ten. En ik be­reikte mijn doel. Meer nog dan dat. Ik slaagde erin haar li­chaam te le­ren ken­nen, zo­als ik er­van had ge­droomd. Toch was het ge­voel dat mij toen be­zielde niet lan­ger en­kel de wre­vel haar nog niet te heb­ben be­ze­ten. Toen wij bei­den plaats­na­men op een mat in het huis van Koro­mo­ga­wa, be­merkte ik dat, bui­ten mijn we­ten om, mijn spijt min­der schrij­nend was ge­wor­den. Dat ik niet lan­ger maagd was, had on­ge­twij­feld ge­hol­pen mijn be­geerte te tem­pe­ren. Maar er was iets an­ders, iets be­slis­sen­ders: de schoon­heid van deze vrouw was ver­welkt. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, Une va­gue in­qui­é­tude (Een vage on­rust), vert. uit het Ja­pans door Sil­vain Chu­pin, voor­woord van René de Cec­cat­ty, Mo­na­co: Édi­ti­ons du Ro­cher, reeks « Nou­velle », 2005; her­dr. in uit­ge­breide vorm on­der de ti­tel Les gren­ouil­les (De kik­kers), vert. uit het Ja­pans door Ca­ther­ine An­celot en Sil­vain Chu­pin, Pa­rijs: Cam­bou­ra­k­is, reeks « Lit­té­ra­ture », 2024.

« Het was op de dag van het boed­dhis­ti­sche feest, bij de Brug van Wat­ana­bé, dat ik Kessa ont­moet­te. Een vreemd toe­val na drie jaar van schei­ding. Ik ver­nam dat zij ge­trouwd was. Zes maan­den lang wendde ik tal­rijke lis­ten aan om van haar een ge­heime ont­moe­ting te ver­krij­gen. Niet al­leen ver­kreeg ik een ont­moe­ting, maar ik leerde ein­de­lijk dat li­chaam ken­nen waar­van ik on­op­hou­de­lijk had ge­droomd. Wel­nu, op dat ogen­blik stelde ik vast dat er in mijn hart nog an­dere ge­voe­lens wa­ren dan de vu­rige spijt zo lang op dit be­zit te heb­ben ge­wacht. Aan haar zij­de, in het Huis Koro­mo­ga­wa, merkte ik dat de be­ko­ring van haar li­chaam mijn ziel niet lan­ger ge­heel ver­vul­de.

Mis­schien liet de af­name van mijn be­geerte zich ver­kla­ren door het feit dat ik niet lan­ger maagd was en dat mijn eer­ste harts­toch­ten wa­ren be­daard. Mis­schien ook door een an­dere oor­zaak: het ge­laat van Kessa straalde niet lan­ger van jeugd zo­als wel­eer. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, « Kesa et Mo­rito » (« Kesa en Mo­rito »), vert. uit het Ja­pans door Matsuo Kuni (Matsuo Kuni­no­su­ke) en Émile Stei­nil­ber-O­ber­lin, France-Japon (Frankrijk-Japan), nr. 10 (juli 1935), p. 163-166.

Downloads

Gedrukte werken

Rond Rashômon en andere verhalen

Citaten

« 或日の暮方の事である。一人の下人が、羅生門の下で雨やみを待つてゐた。

廣い門の下には、この男の外に誰もゐない。唯、所々丹塗の剝げた、大きな圓柱に、蟋蟀が一匹とまつてゐる。羅生門が、朱雀大路にある以上は、この男の外にも、雨やみをする市女笠や揉烏帽子が、もう二三人はありさうなものである。それが、この男の外には誰もゐない。 »

羅生門 op Wikisource 日本語, [on­li­ne], ge­raad­pleegd op 10 juli 2026.

« Het ge­beurde op ze­kere dag in de sche­me­ring: een man van lage stand stond daar, on­der de Ras­hô-poort, te wach­ten tot de re­gen zou lu­wen.

Er was nie­mand an­ders dan hij on­der de weidse Poort. Al­leen op een enorme zuil, waar­van de rode be­pleis­te­ring hier en daar was af­ge­val­len, had zich een kre­kel neer­ge­zet. Daar de Ras­hô-poort in de Su­zak­u-laan lag, had men mo­gen ver­wach­ten daar, be­halve deze man, twee of drie per­so­nen aan te tref­fen, vrou­wen met een ke­gel­vor­mige hoed of man­nen ge­tooid met een eboshi8Hoge muts, mee­stal zwart, vroe­ger ge­dra­gen door de ede­len., die be­schut­ting te­gen de re­gen zoch­ten. En toch was er nie­mand an­ders dan hij. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, Ras­hô­mon et au­tres con­tes (Ras­hô­mon en an­dere ver­ha­len), vert. uit het Ja­pans door Mori Ari­masa, Pa­rijs: Gal­li­mard, reeks « Con­nais­sance de l’O­rient », 1965; her­dr. met een voor­woord van Claude Roy, Pa­rijs: Le Li­vre de po­che, reeks « Le Li­vre de po­che. Clas­sique », 1969.

« De nacht was koel. De la­kei van een sa­moe­rai stond al­leen on­der de ar­ca­den van de Ras­ho­mon te wach­ten tot de bui zou over­trek­ken.

Dit ge­bouw was op­ge­trok­ken te­gen­over de Su­jak­u-laan. Het was niet on­ge­woon dat voor­bij­gan­gers, met een zeg­ge­hoed of een edele hoofd­tooi, er kwa­men schui­len voor een bui. Maar die avond was de la­kei al­leen; geen an­dere aan­we­zig­heid dan die van een kre­kel, op een ver­bleekte rode zuil. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, « Ras­ho­mon • Dans le tail­lis » (« Ras­ho­mon • In het kreu­pel­hout »), vert. uit het Ja­pans door Ono Yo­s­hio en René de Ber­val, France-Asie (Frankrijk-Azië), nr. 103 (de­cem­ber 1954), p. 217-225.

« 長崎あたりの村々には、時々日の暮の光と一しょに、天使や聖徒の見舞う事があった。現にあのさん・じょあん・ばちすたさえ、一度などは浦上の宗徒みげる弥兵衛の水車小屋に、姿を現したと伝えられている。と同時に悪魔もまた宗徒の精進を妨げるため、あるいは見慣れぬ黒人となり、あるいは舶来の草花となり、あるいは網代の乗物となり、しばしば同じ村々に出没した。 »

おぎん op Wikisource 日本語, [on­li­ne], ge­raad­pleegd op 10 juli 2026.

« Het ge­beurde soms dat, on­der de stra­len van de on­der­gaande zon, en­ge­len of hei­li­gen de dor­pen van de streek van Na­gas­aki be­zoch­ten. Men ver­haalt zelfs dat Jo­han­nes de Do­per eens ver­scheen in de mo­len van Mi­guel Ya­hei, een ge­lo­vige uit Ura­kami. De dui­vel van zijn kant, om het re­li­gi­euze ij­ve­ren van de ge­lo­vi­gen te dwars­bo­men, huis­hield in die­zelfde dor­pen, zich nu eens ver­an­de­rend in een vreemde ne­ger, dan weer in een uit­heemse bloem of in een kar met hor­ren van vlecht­werk. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, Ras­hô­mon et au­tres con­tes (Ras­hô­mon en an­dere ver­ha­len), vert. uit het Ja­pans door Mori Ari­masa, Pa­rijs: Gal­li­mard, reeks « Con­nais­sance de l’O­rient », 1965; her­dr. met een voor­woord van Claude Roy, Pa­rijs: Le Li­vre de po­che, reeks « Le Li­vre de po­che. Clas­sique », 1969.

« Het ge­beurde zelfs dat en­ge­len en hei­li­gen af­daal­den om de dor­pen rond Na­gas­aki te be­zoe­ken, met de stra­len van de avond­zon. Men be­richt zelfs stel­lig dat eens Jo­han­nes de Do­per ver­scheen in de mo­len van Mi­chel Ya­hei, te Ura­kami. Van zijn kant ver­scheen ook de de­mon dik­wijls in die­zelfde dor­pen in de ge­daante van een on­be­kende ne­ger, van een uit­heemse bloem, of van een bam­boe draag­stoel, ten­einde de ge­lo­vi­gen te be­let­ten zich te ont­hou­den. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, Le nez et au­tres con­tes (De neus en an­dere ver­ha­len), vert. uit het Ja­pans door Ma­ru­y­ama Jun­tarô, To­kio: Ha­k­usuis­ha, 1927.

« すると、一生懸命にのぼった甲斐があって、さっきまで自分がいた血の池は、今ではもう暗の底にいつの間にかかくれて居ります。それからあのぼんやり光っている恐しい針の山も、足の下になってしまいました。この分でのぼって行けば、地獄からぬけ出すのも、存外わけがないかも知れません。犍陀多は両手を蜘蛛の糸にからみながら、ここへ来てから何年にも出した事のない声で、「しめた。しめた。」 »

蜘蛛の糸 op Wikisource 日本語, [on­li­ne], ge­raad­pleegd op 10 juli 2026.

« Om de waar­heid te zeg­gen was zijn ver­be­ten strijd niet ver­geefs ge­wee­st: de Bloed­vij­ver die hij zo-e­ven had ver­la­ten, was reeds ver­vaagd in de diepte van de duis­ter­nis. Ook het verre ge­flon­ker van de vre­se­lijke Naal­den­berg be­vond zich on­der zijn voe­ten. In dit tempo zou de ont­snap­ping uit de Hel mis­schien ge­mak­ke­lij­ker ver­lo­pen dan hij had ver­wacht. Ter­wijl hij de spin­nen­draad om zijn arm wond, zei hij met een glim­lach van vol­doe­ning: “Het is ge­lukt! Het is ge­lukt!” op een toon die hij sinds zijn aan­komst op deze plek — hoe­veel ja­ren was dat ge­le­den — was ver­ge­ten. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, Ras­hô­mon et au­tres con­tes (Ras­hô­mon en an­dere ver­ha­len), vert. uit het Ja­pans door Mori Ari­masa, Pa­rijs: Gal­li­mard, reeks « Con­nais­sance de l’O­rient », 1965; her­dr. met een voor­woord van Claude Roy, Pa­rijs: Le Li­vre de po­che, reeks « Le Li­vre de po­che. Clas­sique », 1969.

« Toen zag hij dat zijn in­span­nin­gen niet ver­geefs wa­ren ge­wee­st: het meer van Bloed, waarin hij zich kort te­vo­ren nog be­vond, was in de duis­ter­nis ver­dwe­nen. Ook zag hij on­der zich het zwakke schijn­sel van de vre­se­lijke Naal­den­berg. In dat tempo zou ont­snap­pen uit de Hel mis­schien niet moei­lij­ker zijn dan hij zich had voor­ge­steld. Ter­wijl hij de draad met zijn beide han­den om­klem­de, be­gon Kan­data te la­chen met een stem die hij in al die ja­ren in de hel niet meer had ge­bruikt: “Het gaat luk­ken, het gaat me luk­ken”. »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, « Le fil d’a­raig­née » (« De spin­nen­draad »), vert. uit het Ja­pans door Chris­top­her Chas­sag­neux en Lu­cie De­me­sy, La main de Thôt (De hand van Thoth), nr. 13, 2025.

« Zo hard klim­men was de moeite waard, want de Bloed­vij­ver, waar hij zich tot dan toe be­vond, was nu in de duis­ter­nis on­der hem ver­dwe­nen. Zelfs het zwakke schijn­sel van de angst­aan­ja­gende Naal­den­berg lag on­der hem. Als hij in dit tempo bleef klim­men, zou ont­snap­pen uit de Hel wel­licht ge­mak­ke­lij­ker zijn dan ver­wacht. Kan­data wond de spin­nen­draad om zijn han­den, en met een stem die hij sinds zijn aan­komst hier, vele ja­ren ge­le­den, niet meer had ge­bruikt, lachte hij en zei: “Het is zo­ver, ik ben er!” »

Ak­ut­a­ga­wa, Ryû­no­su­ke, « Le fil de l’a­raig­née » (« De draad van de spin »), in­di­recte vert. uit het En­gels door Lu­cile Rusu m.m.v. Clara War­tel­le-Sa­kamo­to, naar die van Anne Mc­Nulty en Sato Eri­ko. In Pe­ti­tes his­toi­res ja­po­n­ai­ses : con­tes et nou­vel­les bi­lin­gues pour pro­gres­ser en ja­po­n­ais (Kleine Ja­panse ver­ha­len: twee­ta­lige ver­tel­lin­gen en no­vel­len om je Ja­pans te ver­be­te­ren), Ma­la­koff: A. Co­lin, 2022, p. 38-61.

Downloads

Gedrukte werken

Bibliografie

  • Bon­neau, Ge­or­ges, His­toire de la lit­té­ra­ture ja­po­n­aise con­tem­po­raine (1868-1938) (Ge­schie­de­nis van de he­den­daagse Ja­panse li­te­ra­tuur (1868-1938)), voor­woord van Ki­kuchi Kan, Pa­rijs: Pay­ot, 1940.
  • Cha­va­nes, Ed­wige de, « Ak­ut­a­gawa Ryū­no­suke (1892-1927) ». In Ci­néma et lit­té­ra­ture au Ja­pon : de l’ère Meiji à nos jours (Film en li­te­ra­tuur in Ja­pan: van het Meij­i-tijd­perk tot he­den), on­der red. van Max Tes­sier, Pa­rijs: Cen­tre G. Pompi­dou, reeks « Ci­néma sin­gu­lier », 1986, p. 44-45.
  • Col­las­se, Ri­chard, Dic­ti­on­naire amou­reux du Ja­pon (Lief­des­woor­den­boek van Ja­pan), Pa­rijs: Plon, reeks « Dic­ti­on­naire amou­reux », 2021.
  • Guil­la­maud, Je­an, His­toire de la lit­té­ra­ture ja­po­n­aise (Ge­schie­de­nis van de Ja­panse li­te­ra­tuur), Pa­rijs: El­lip­ses, reeks « Lit­té­ra­tu­res. Sé­rie Lit­té­ra­tu­res du monde », 2008.
  • Ma­téo, Pas­cal, « Ryû­no­suke Ak­ut­a­ga­wa, “Ras­hô­mon” (1915). Les té­nè­bres d’un Ja­pon de lé­gende » (« Ryû­no­suke Ak­ut­a­ga­wa, “Ras­hô­mon” (1915). De duis­ter­nis van een le­gen­da­risch Ja­pan »), Le Point Ré­fé­ren­ces (Le Point Na­slag­wer­ken), nr. 80 (april-juni 2020), p. 64-65.
  • Matsuo, Kuni (Matsuo, Kuni­no­su­ke), His­toire de la lit­té­ra­ture ja­po­n­aise : des temps ar­cha­ïques à 1935 (Ge­schie­de­nis van de Ja­panse li­te­ra­tuur: van de ar­cha­ï­sche tij­den tot 1935), i.s.m. Ka­waji Ryūkō en Al­fred Smou­lar, voor­woor­den van Ana­tole de Mon­zie, Émile Stei­nil­ber-O­ber­lin en No­guchi Yo­ne­jirō, Pa­rijs: So­ci­été française d’é­di­ti­ons lit­té­rai­res et tech­niques, reeks « Bi­bli­o­thèque du hé­ris­son », 1935.
  • Ori­gas, Je­an-Jacques, « Ak­ut­a­gawa Ryū­no­suke (1892-1927) », En­cy­clopæ­dia uni­ver­sa­lis, [on­li­ne], ge­raad­pleegd op 10 juli 2026.
  • Pin­guet, Mauri­ce, La mort vo­lon­taire au Ja­pon (De vrij­wil­lige dood in Ja­pan), Pa­rijs: Gal­li­mard, reeks « Bi­bli­o­thèque des his­toi­res », 1984.
  • Sief­fert, Re­né, La lit­té­ra­ture ja­po­n­aise (De Ja­panse li­te­ra­tuur), Pa­rijs: Li­brai­rie A. Co­lin, reeks « Col­lec­tion A. Co­lin », 1961; nieuwe uitg. met een ac­tu­a­li­se­ring door Katô Shui­chi, Pa­rijs: Pu­bli­ca­ti­ons orien­ta­lis­tes de Fran­ce, reeks « Lan­gues et ci­vi­li­sa­ti­ons. Lit­té­ra­ture », 1986.
Avatar photo
Yoto Yotov

Sinds 2010 wijd ik mijn tijd aan het bevorderen van de dialoog tussen eeuwen en naties, ervan overtuigd dat de menselijke geest overal thuis is. Als u deze visie van een universele cultuur deelt, en als mijn Notes du mont Royal u ooit hebben verlicht of geraakt, overweeg dan een donatie te doen op Liberapay.

Articles : 384