De Gesprekken van Confucius, vorst zonder kroon

Ver­taald uit het Frans

« Zon­der deze fun­da­men­tele sleu­tel [De Ge­sprek­ken] kan men geen toe­gang krij­gen tot de Chi­nese be­scha­ving. En wie deze be­scha­ving niet kent, zou nooit meer kun­nen be­rei­ken dan een ge­deel­te­lijk be­grip van de men­se­lijke er­va­ring. »

Con­fu­ci­us. Les En­tre­tiens de Con­fu­cius (De Ge­sprek­ken van Con­fu­cius), uit het Chi­nees ver­taald door Pierre Ry­ck­mans, voorw. van René Étiem­ble. Pa­rijs: Gal­li­mard, reeks « Con­nais­sance de l’O­rient », 1987.

De ge­schie­de­nis van het den­ken biedt wei­nig voor­beel­den van een in­vloed die zo uit­ge­strekt en zo duur­zaam is als die van de Ver­eerde Mees­ter Kong of Kong­fuzi1Ver­wor­pen vor­men:
Cong fou tsëe.
Krong-fou-tsé.
K’ong-fou-tseu.
Kong-fou-tze.
Khoung-fu-tzée.
Khoung-fou-dze.
Cung-fou-tsée.
Khung-fu-dsü.
Kung-fu-tsu.
Kung fu-t­zu.
Cun-fu zu.
Cum-fu-çu.
. Als men zijn groot­heid moet be­oor­de­len naar het diepe stem­pel dat hij op alle vol­ke­ren van Oos­t-A­zië heeft ge­drukt, dan kan men hem met recht noe­men « de groot­ste leer­mees­ter […] die de eeu­wen ooit heb­ben voort­ge­bracht ». Het is in zijn Gesprekken (Lunyu)2Ver­wor­pen vor­men:
Analectes (Analecten).
Dialogues (Dialogen).
Les An­na­les (De An­na­len).
Les Pro­pos (De Uit­spra­ken).
Les En­tre­tiens phi­lo­so­p­hiques (De Fi­lo­so­fi­sche Ge­sprek­ken).
Les Dis­cus­si­ons phi­lo­so­p­hiques (De Fi­lo­so­fi­sche Dis­cus­sies).
Le Li­vre des en­tre­tiens ou des dis­cours mo­raux (Het Boek der ge­sprek­ken of mo­rele re­de­voe­rin­gen).
Dis­cours et pa­ro­les (Re­de­voe­rin­gen en woor­den).
Aphorismes (Aforismen).
Con­ver­sa­ti­ons avec ses dis­ci­ples (Ge­sprek­ken met zijn leer­lin­gen).
Li­ber sen­ten­ti­a­rum (Het Boek der spreu­ken).
Ra­ti­o­ci­nan­tium ser­mo­nes (De Ge­sprek­ken der ra­ti­o­na­lis­ten).
Dis­sertæ sen­ten­tiæ.
Lén-yù.
Luen yu.
Louen yu.
Loung yu.
Lien-yu.
Liun iu.
Liun-ju.
Loun-yu.
Loun iu.
Lún-iù.
Niet te ver­war­ren met:
Les En­tre­tiens fa­mi­liers de Con­fu­cius (De Ver­trou­we­lijke Ge­sprek­ken van Con­fu­cius) (Kongzi ji­ayu) die een soort he­te­ro­dox sup­ple­ment vor­men op de bun­del van de Gesprekken.
dat zijn vu­rige liefde voor de mens­heid en zijn ver­he­ven mo­raal, ge­put uit de bron­nen van het ge­zond ver­stand, tot uit­bar­sting ko­men; daar open­baart zich zijn voort­du­rende be­kom­mer­nis om aan de men­se­lijke na­tuur die eer­ste glans te­rug te ge­ven, die ze van de He­mel heeft ont­van­gen maar die ver­duis­terd is door de duis­ter­nis van de on­we­tend­heid. Men zal zich dan ook niet ver­won­de­ren dat de je­zuïe­ten­pa­ters, die hem aan Eu­ropa be­kend­maak­ten en de­den be­won­de­ren on­der de ge­la­ti­ni­seerde naam Con­fu­ci­us, voor hem een geest­drift op­vat­ten die ge­lijk was aan die van de Chi­ne­zen. Zij za­gen in zijn Gesprekken de pa­rels van China of iets van nog gro­tere waar­de, want pre­tio­sior est cunc­tis opi­bus [sapien­tia] (de wijs­heid is kost­baar­der dan pa­rels)3Spr. 3,15 (vert. La Bi­ble: tra­duc­tion of­fi­cielle li­tur­gique (De Bij­bel: of­fi­ci­ële li­tur­gi­sche ver­ta­ling)).. En zij be­slo­ten dat « deze le­rin­gen niet al­leen goed zijn voor de men­sen van Chi­na, maar […] dat er wei­nig Fran­sen zijn die zich […] niet zeer ge­luk­kig zou­den ach­ten in­dien zij deze in prak­tijk kon­den bren­gen ». Vol­taire zelf, ge­won­nen voor hem, hing in zijn werk­ka­mer een por­tret op van de Chi­nese wij­ze, waar­on­der hij deze vier ver­zen plaat­ste:

« Van de enige heil­zame rede de uit­leg­ger,
Zon­der de we­reld te ver­blin­den, de gees­ten ver­lich­tend,
Sprak hij slechts als wijze en nooit als pro­feet;
En toch ge­loofde men hem, zelfs in zijn land. »

Vol­tai­re. « De la Chine » (« Over China »). Œu­vres com­plè­tes de Vol­taire (Vol­le­dige wer­ken van Vol­taire), vol. 40, Ques­ti­ons sur l’En­cy­clo­pé­die, par des ama­teurs (Vra­gen over de En­cy­clo­pe­die, door lief­heb­bers), IV, César-Égalité. Ox­ford: Vol­taire Foun­da­ti­on, 2009.

De Evidentie van de juiste rede

Be­schouwd on­der het dub­bele op­zicht van de mo­raal en de po­li­tiek, kan de leer van Con­fu­cius ver­ge­le­ken wor­den met die welke So­cra­tes om­streeks de­zelfde tijd on­der­wees. « Vrien­den van de re­de, vij­an­den van het en­thou­si­asme » (Vol­tai­re), heb­ben Con­fu­cius en So­cra­tes de oude wijs­heid be­kleed met die zacht­heid, die evi­den­tie, die kalmte die in staat zijn de ruw­ste gees­ten te ra­ken. Nooit, mis­schien, is de men­se­lijke geest waar­di­ger ver­te­gen­woor­digd ge­weest dan door deze twee man­nen. Su­pe­ri­eur door hun fi­lo­so­fie, wa­ren zij het niet min­der door hun oor­deel. Daarom wis­ten zij al­tijd tot hoe­ver men moet gaan en waar men moet stop­pen. En in­dien zij zich toch van de rechte weg af­wend­den, bracht hun ge­zond ver­stand hen erop te­rug, waarin zij een aan­zien­lijk voor­deel heb­ben op vele fi­lo­so­fen van onze tijd, die zulke kron­ke­li­ge, zulke valse re­de­ne­rin­gen heb­ben, zulke ver­schrik­ke­lijke spits­von­dig­he­den, dat zij moeite heb­ben zichzelf te be­grij­pen. « De Mees­ter zei: “Nie­mand zou er­aan den­ken an­ders dan door de deur naar bui­ten te gaan. Waarom pro­be­ren de men­sen bui­ten de Weg te wan­de­len?” » (VI.17)

Men zal dan ook de me­ning be­treu­ren van He­gel, die, om­dat hij in De Ge­sprek­ken geen en­kele van die ver­dwa­lin­gen vond die hij fi­lo­so­fie noem­de, een vre­se­lijk oor­deel vel­de: « het zou be­ter ge­weest zijn voor de re­pu­ta­tie van Con­fu­ci­us, in­dien men zijn werk niet had ver­taald »4He­gel, Ge­org Wil­helm Frie­d­rich. Leçons sur l’his­toire de la phi­lo­so­p­hie (Les­sen over de ge­schie­de­nis van de fi­lo­so­fie), uit het Duits ver­taald door Jean Gi­be­lin. Pa­rijs: Gal­li­mard, 1954.. Deze ge­heel Ger­maanse ver­ach­ting is des te vreem­der om­dat Duits­land, met de Ge­sprek­ken van Goethe, een boek be­zit dat er bij uit­stek dicht bij staat, zo­wel door zijn se­rene schoon­heid als door de levende aan­we­zig­heid van een Mees­ter. Laat men zich niet ver­gis­sen! Con­fu­cius on­waar­dig ach­ten om ver­taald te wor­den, is de rede zelf ver­wer­pen — « die in­ner­lijke waar­heid die in de ziel van alle men­sen is, en die onze fi­lo­soof voort­du­rend raad­pleegde [om] al zijn woor­den te lei­den » (Jean de La­b­ru­ne).

De Weg van de wijze

Zo­als zo­vele an­dere « leermeesters » van het men­se­lijk ge­slacht, zo­als de Boed­dha in In­dia, Za­ra­t­hoes­tra in Per­zië, was Con­fu­cius geen schrij­ver, maar een Mees­ter die aan zijn leer­lin­gen de zorg over­liet om zijn on­der­rich­tin­gen op te te­ke­nen. Ove­ri­gens, vreemd aan grote re­de­voe­rin­gen en mis­plaatste wel­spre­kend­heid, ver­koos hij een in­ge­to­gen hou­ding, « zo­als die van een mu­zi­kant ge­bo­gen over zijn in­stru­ment om er de mooi­ste me­lo­dieën aan te ont­lok­ken »5Vol­gens het lich­tende beeld van An­toi­ne-Jo­seph As­saf.. Hij ging er soms toe om te zuch­ten: « Ik zou niet meer wil­len spre­ken ». Aan de leer­lin­gen die ont­roerd wer­den door zijn stil­tes, ant­woordde hij met een bijna kos­mi­sche ma­jes­teit: « Spreekt de He­mel? En toch vol­gen de vier jaar­ge­tij­den hun loop, en toch wor­den de hon­derd we­zens ge­bo­ren. Spreekt de He­mel? » (X­VII.19)

Hij ver­klaarde ne­de­rig aan wie het ho­ren wil­de: « Ik geef door, ik ver­zin niets […] en ik houd van de Oud­heid » (VII.1). Deze rol van door­ge­ver van de ri­ten (li), van de ken­nis (zhi), van het ge­voel van men­se­lijk­heid (ren), ver­vulde hij met toe­wij­ding, met waar­dig­heid; niet zon­der door diepe moe­de­loos­he­den te gaan, we­tende hoe­zeer « zijn zen­ding zwaar is, en zijn weg lang » (VI­II.7). Even­wel be­moe­digde hij zichzelf met de ge­dachte een waar­ach­tig he­mels man­daat te vol­bren­gen: « Ko­ning Wen is dood. Ben ik nu niet die­gene die be­last is met het on­der­pand van de be­scha­ving? Als de He­mel het ver­derf er­van ge­zwo­ren had, waarom zou hij het aan een ster­ve­ling zo­als ik heb­ben toe­ver­trouwd? En als de He­mel be­slo­ten heeft dit on­der­pand te be­wa­ren, wat heb ik dan te vre­zen van de lie­den van Ku­ang? » (IX.5)

Het Rijk van de deugd

Een veel­voor­ko­mend woord in De Ge­sprek­ken is dat van « eer­lijk man » (junzi), dat oor­spron­ke­lijk een edel­man aan­duidde uit een adel­lijk ge­slacht en fa­mi­lie, maar waar­aan Con­fu­cius een nieuwe be­te­ke­nis geeft door de aris­to­cra­tie van het hart te ver­van­gen door die van het bloed. De man van kwa­li­teit laat zich niet meer be­pa­len door de ge­boorte die hij ontvangt uit de han­den van het toe­val, maar door de mo­rele ver­he­ven­heid en de ge­voe­lig­heid die hij verwerft door de stu­die6Zo­als Cy­rille Ja­vary er­aan her­in­nert, zal Frank­rijk drie­ën­twin­tig eeu­wen na Con­fu­cius moe­ten wach­ten om Fi­ga­ro, de ka­mer­die­naar van de graaf, ge­voe­lens van ge­lijk­heid en wraak te zien op­ei­sen te­gen de pri­vi­le­ges van zijn mees­ter: « Mijn­heer de graaf […]. Om­dat u een groot heer bent, denkt u dat u een groot ge­nie bent!… Adel, for­tuin, een rang, be­trek­kin­gen; dat al­les maakt zo trots! Wat hebt u ge­daan voor zo­veel goe­de­ren? U hebt u de moeite ge­ge­ven ge­bo­ren te wor­den, en ver­der niets. Voor de rest, een vrij ge­woon mens! Ter­wijl ik », enz.. Ge­lijk aan « de Pool­ster » (II.1), on­ver­an­der­lijk en cen­traal, be­kom­mert hij zich er niet om niet opgemerkt te wor­den; hij tracht eer­der iets opmerkenswaardigs te doen: « De Mees­ter zei: “Het is geen on­ge­luk mis­kend te wor­den door de men­sen, maar het is een on­ge­luk hen te mis­ken­nen” » (I.16). Waar vindt men een scho­nere spreuk, een gro­tere on­ver­schil­lig­heid te­gen­over roem en suc­ces­sen? Wat doet het er, ten­slot­te, toe dat Con­fu­cius zijn le­ven lang een vorst zon­der kroon is ge­ble­ven? Hij heeft een Rijk op­ge­bouwd waar­van de on­zicht­bare gren­zen zich uit­strek­ken tot die van de mens­heid.


Om verder te gaan

Rond De Gesprekken van Confucius

Citaten

« 子曰:「不知命,無以爲君子也;不知禮,無以立也;不知言,無以知人也。」 »

論語 op Wikisource 中文, [on­li­ne], ge­raad­pleegd op 15 april 2026.

« Con­fu­cius zei: “Wie het lot niet kent, kan niet als eer­lijk man le­ven. Wie de ri­ten niet kent, weet niet hoe zich te ge­dra­gen. Wie de be­te­ke­nis van de woor­den niet kent, kan de men­sen niet ken­nen”. »

Con­fu­ci­us. Les En­tre­tiens de Con­fu­cius (De Ge­sprek­ken van Con­fu­cius), uit het Chi­nees ver­taald door Pierre Ry­ck­mans, voorw. van René Étiem­ble. Pa­rijs: Gal­li­mard, reeks « Con­nais­sance de l’O­rient », 1987.

« De Mees­ter heeft ge­zegd: “Wie zijn deel niet kent, zou geen goed mens kun­nen zijn; wie de ri­ten niet kent, zou zijn rang niet kun­nen hand­ha­ven; wie de be­te­ke­nis van de woor­den niet kent, zou de men­sen niet kun­nen be­oor­de­len”. »

Con­fu­ci­us. Les En­tre­tiens de Con­fu­cius et de ses dis­ci­ples (De Ge­sprek­ken van Con­fu­cius en zijn leer­lin­gen), uit het Chi­nees ver­taald door Jean Le­vi. Pa­rijs: A. Mi­chel, reeks « Spi­ri­tu­a­li­tés vi­van­tes », 2016; her­druk on­der de ti­tel Entretiens (Gesprekken), Pa­rijs: Les Bel­les Let­tres, 2019.

« De Mees­ter zei: “Wie het he­melse ge­bod niet er­kent, zou geen goed mens kun­nen zijn. Wie de ri­ten niet be­zit, zou zich niet kun­nen hand­ha­ven. Wie de waarde van de woor­den niet kent, zou de men­sen niet kun­nen ken­nen”. »

Con­fu­ci­us. Les En­tre­tiens (De Ge­sprek­ken), uit het Chi­nees ver­taald door Anne Cheng. Pa­rijs: Édi­ti­ons du Seuil, reeks « Points. Sa­ges­ses », 1981.

« Con­fu­cius zei: “Zon­der ken­nis van het lot kan men geen man van kwa­li­teit wor­den. Zon­der ken­nis van de hof­fe­lijk­heid zou men er zich niet aan kun­nen hou­den. Zon­der ken­nis van de be­te­ke­nis van de woor­den zou men de men­sen niet kun­nen be­grij­pen”. »

Con­fu­ci­us. Les En­tre­tiens de Con­fu­cius et de ses dis­ci­ples (De Ge­sprek­ken van Con­fu­cius en zijn leer­lin­gen), uit het Chi­nees ver­taald door An­dré Lévy. Pa­rijs: Flam­ma­ri­on, reeks « GF », 1994.

« Con­fu­cius zei: “Als men het lot niet kent, is er niets dat toe­laat een goed mens te zijn. Als men de ri­ten niet kent, is er niets dat toe­laat zich in de sa­men­le­ving te ves­ti­gen. Als men de be­te­ke­nis van de woor­den niet kent, is er niets dat toe­laat de men­sen te ken­nen!” »

Phi­lo­sop­hes con­fu­ci­a­nis­tes (Con­fu­ci­a­nis­ti­sche fi­lo­so­fen), uit het Chi­nees ver­taald door Char­les Le Blanc en Rémi Ma­thieu. Pa­rijs: Gal­li­mard, reeks « Bi­bli­o­thèque de la Pléi­ade », 2009.

« De fi­lo­soof zei: “Als men niet ge­looft be­last te zijn met het ver­vul­len van een zen­ding, een man­daat, kan men niet be­schouwd wor­den als een su­pe­ri­eur man.

Als men de ri­ten of de wet­ten die de maat­schap­pe­lijke be­trek­kin­gen re­ge­len niet kent, heeft men niets om zijn ge­drag op te ves­ti­gen.

Als men de waarde van de woor­den van de men­sen niet kent, kent men hen zelf niet”. »

Con­fu­cius en Men­cius. Les Qua­tre Li­vres de phi­lo­so­p­hie mo­rale et po­li­tique de la Chine (De Vier Boe­ken van mo­rele en po­li­tieke fi­lo­so­fie van China), uit het Chi­nees ver­taald door Guil­laume Pau­thier. Pa­rijs: Char­pen­tier, 1841.

« De Mees­ter: “Wie het de­creet niet kent, zou geen edel man kun­nen wor­den. Wie de ri­ten niet kent, zou zich niet kun­nen hand­ha­ven. Wie de woor­den niet kent, zou de men­sen niet kun­nen ken­nen”. »

Con­fu­ci­us. Le Li­vre de la sa­gesse de Con­fu­cius (Het Boek van de wijs­heid van Con­fu­cius), uit het Chi­nees ver­taald door Eu­la­lie Steens. Mo­na­co; Pa­rijs: Édi­ti­ons du Ro­cher, reeks « Les Grands Tex­tes spi­ri­tu­els », 1996.

« De Mees­ter zei: “Wie de wil van de He­mel (de na­tuur­wet) niet kent, zal nooit een wijze zijn. Wie de re­gels en de ge­woon­ten niet kent, zal niet stand­vas­tig zijn in zijn ge­drag. Wie het ware niet van het valse weet te on­der­schei­den in de re­de­voe­rin­gen der men­sen, kan de men­sen niet ken­nen”. »

Con­fu­cius en Men­cius. Les Qua­tre Li­vres (De Vier Boe­ken), uit het Chi­nees ver­taald in het Frans en het La­tijn door Sé­rap­hin Cou­vreur. He­ji­an: Druk­ke­rij van de ka­tho­lieke mis­sie, 1895.

« Ma­gis­ter ait: “Qui non cog­nos­cit Cæli man­da­ta, non ha­bet quo fiat sapiens vir. Qui non no­vit ri­tus, non ha­bet quo con­sistat, id est, non ha­bet cer­tam le­gem qua con­stan­ter se di­ri­gat. Qui nes­cit dis­cer­nere (exa­mi­nare et æsti­ma­re) ho­mi­num dic­ta, non ha­bet quo no­scat ho­mi­nes”. »

Con­fu­cius en Men­cius. Les Qua­tre Li­vres (De Vier Boe­ken), uit het Chi­nees ver­taald in het Frans en het La­tijn door Sé­rap­hin Cou­vreur. He­ji­an: Druk­ke­rij van de ka­tho­lieke mis­sie, 1895.

« De Mees­ter zei: “Wie het he­melse de­creet niet kent, zou geen eer­bied­waar­dig man kun­nen zijn. Wie de re­gels en de ge­woon­ten niet kent, zou zich niet kun­nen be­ves­ti­gen. Wie de be­te­ke­nis van de uit­spra­ken niet kent, kan de men­sen niet ken­nen”. »

Con­fu­ci­us. En­tre­tiens du Maî­tre avec ses dis­ci­ples (Ge­sprek­ken van de Mees­ter met zijn leer­lin­gen), uit het Chi­nees ver­taald door Sé­rap­hin Cou­vreur, herz. van de vert. en na­woord van Mu­riel Ba­ry­os­her-Che­mou­ny. Pa­rijs: Uitg. Mille et une nuits, reeks « Mille et une nuits », 1997; her­druk on­der de ti­tel Pa­ro­les de Con­fu­ci­us, En­tre­tiens (Woor­den van Con­fu­ci­us, Ge­sprek­ken), Pa­rijs: Hugo po­che, reeks « Hugo po­che: sa­ges­ses », 2023.

« Con­fu­cii ef­fa­tum: “Nec sapien­tiam ap­pre­hen­de­re, qui Cæli le­gem; nec in vir­tute sta­re, qui ri­tuum ho­ne­sta­tem; nec ho­mi­nes po­test dig­nosce­re, qui ver­borum ar­tem ig­no­ra­t”. »

Con­fu­cius en Men­cius. Si­nen­sis im­pe­rii li­bri clas­sici sex, uit het Chi­nees ver­taald in het La­tijn door François No­ël. Praag: per J. J. Ka­me­nic­ky, 1711.

« Con­fu­cius zei: “Men kan niet tot wijs­heid ko­men als men de wet van de he­mel niet kent, noch zich ves­ti­gen in de deugd als men de ri­ten van de eer­lijk­heid niet kent, noch de men­sen on­der­schei­den als men de kunst van het spre­ken niet kent”. »

Con­fu­cius en Men­cius. Les Li­vres clas­siques de l’Em­pire de la Chine (De Klas­sieke Boe­ken van het Kei­zer­rijk China), in­di­recte ver­ta­ling uit het La­tijn door Françoi­s-An­dré-A­drien Pluquet, naar die van François No­ël. Pa­rijs: de Bu­re; Bar­rois aîné en Bar­rois jeu­ne, 1784.

« Con­fu­cius ai­e­bat: “Qui non s[c]it, adeoque nec cre­dit dari Cœli man­da­tum et Pro­vi­den­tiam, id est, qui non in­tel­li­git et cre­dit pros­pera et ad­versa, vi­tam et mor­tem, etc. a Cœli nutu con­si­li­oque pen­dere (vel, ut ex­ponunt alii, qui non cog­nos­cit lu­men ra­ti­o­nis cœ­li­tus in­di­tum esse mor­ta­li­bus, ad quod vitæ suæ ra­ti­o­nes om­nes com­po­nat, et quæ prava sunt, fu­gi­at, quæ rec­ta, pro­se­qua­tur), vir hu­jus­modi pro­fecto non ha­be­bit quo eva­dat pro­bus ac sapiens; quin imo multa com­mit­tet ho­mine in­dig­na, dum quæ il­li­cita sunt, vel su­pra vi­res su­as, con­sec­ta­bi­tur, vel iis ma­lis, quæ frus­tra co­na­bi­tur ef­fu­ge­re, suc­cum­bet.

Quis­quis ig­no­rat de­co­rum cu­jusque rei et mo­dum, nec­non ri­tus of­fi­ci­aque ci­vi­lia, quæ so­cie­ta­tis hu­manæ vin­cula quæ­dam sunt, ac pro­prium cu­jusque ho­mi­nis de­cus et fir­ma­men­tum, non ha­be­bit is quo eri­g­a­tur aut eva­dat vir gra­vis et con­stans, et sibi ali­is­que uti­lis; la­be­tur enim as­si­due, fluc­tu­a­bit in­cer­tus, et ipsius quoque vir­tu­tis, si quam forte adep­tus est, jac­tu­ram aliquando fa­ciet.

Lin­gua cor­dis in­dex est; nec raro quidquid in toto la­tet ho­mi­ne, bre­vis ejus­dem pro­dit ora­tio. Quo­circa quis­quis non in­tel­li­git ser­mo­nes ho­mi­num, sic ut apte dis­cer­nat quam rec­te, quam per­pe­ram quid di­ca­tur, non ha­be­bit quo per­spec­tos ha­beat ipsos ho­mi­nes: er­ro­res il­lo­rum sci­li­cet, in­do­lem, con­si­lia, fa­cul­ta­tes.

Porro quis­quis hæc tria — Cœ­li, in­quam, pro­vi­den­tiam, re­rum mo­dum, ipsos de­nique ho­mi­nes — probe cog­nove­rit, ita­que vixe­rit, ut huic cog­ni­ti­oni vita mo­ri­busque res­pon­de­at, is om­nino dici po­te­rit par­tes om­nes rari sapien­tis, et qui longe su­pra vul­gus emi­ne­at, ex­ple­vis­se”. »

Con­fu­ci­us. Con­fu­cius Si­na­rum phi­lo­sop­hus, sive Sci­en­tia si­nen­sis la­tine ex­po­sita, uit het Chi­nees ver­taald in het La­tijn door Pros­pero In­tor­cet­ta, Chris­tian Herd­trich, François de Rou­ge­mont en Phi­lippe Cou­plet. Pa­rijs: D. Hort­he­mels, 1687.

« Wie de be­ve­len van de He­mel en de Voor­zie­nig­heid niet kent, wie niet ge­looft dat de voor­spoed en de te­gen­spoed, het le­ven en de dood, enz. af­han­gen van de wil en de raad van de He­mel, en die niet er­kent dat het licht van de rede een gave is die de He­mel aan de ster­ve­lin­gen schenkt, en waar­aan men alle be­we­gin­gen van ons le­ven moet con­for­me­ren, als zijnde de re­gel van het kwaad en het goed, van wat men moet ont­vluch­ten en van wat men moet om­ar­men; ze­ker­lijk zal zulk een mens nooit een goed en wijs mens kun­nen wor­den, verre van daar, hij zal niet na­la­ten vele din­gen te doen die een mens on­waar­dig zijn, hij zal zich stor­ten op din­gen die on­ge­oor­loofd of bo­ven zijn krach­ten zijn, en hij zal be­zwij­ken on­der kwa­den die hij te­ver­geefs zal trach­ten te ver­mij­den.

Wie de wel­voeg­lijk­heid en de wijze van elke zaak niet kent, de ge­woon­ten en de we­der­zijdse plich­ten die als de ban­den zijn van de men­se­lijke sa­men­le­ving en het bij­zon­dere sie­raad van een­ie­der; die zal zich nooit tot iets ver­hef­fen, en hij zal er niet in sla­gen een man van be­lang, ge­wich­tig, stand­vas­tig en nut­tig voor de zij­nen en voor an­de­ren te zijn; maar hij zal voort­du­rend val­len, hij zal zwe­ven in een eeu­wig­du­rende on­ze­ker­heid, en ook al heeft hij enige deugd ver­wor­ven, uit­ein­de­lijk zal hij die op een dag ver­lie­zen.

De tong is het te­ken of de aan­dui­ding van het hart, en dik­wijls ont­dekt een klein ont­snapt woord al­les wat een mens in de geest heeft; daarom zal wie de re­de­voe­rin­gen van de men­sen niet ver­staat, zo­dat hij niet juist on­der­scheidt in welke mate iets goed of slecht te pas ge­zegd zal zijn, niet in staat zijn de diepte en het in­ner­lijk van de men­sen te ken­nen, hun dwa­lin­gen, hun aard, hun plan­nen, en hoe ver hun ca­pa­ci­teit reikt of niet reikt.

Wel­nu, wie deze drie za­ken goed zal ken­nen — de voor­zie­nig­heid van de He­mel, de bij­zon­dere wijze van de za­ken, het in­ner­lijk van de men­sen, en die zich zo­da­nig zal ge­dra­gen heb­ben dat zijn le­ven en zijn ze­den aan deze ken­nis zul­len be­ant­woord heb­ben, men zal ab­so­luut kun­nen zeg­gen dat hij alle de­len van een zeld­zaam, wijs en verre bo­ven het ge­wone staand mens zal ver­vuld heb­ben. »

Con­fu­ci­us. Con­fu­ci­us, ou La Sci­ence des prin­ces con­te­nant les prin­ci­pes de la re­li­gi­on, de la mo­rale par­ti­cu­li­è­re, du gou­ver­ne­ment po­li­tique des an­ciens em­pe­reurs et ma­gi­strats de la Chine (Con­fu­ci­us, of De We­ten­schap der vor­sten be­vat­tende de be­gin­se­len van de gods­dienst, van de bij­zon­dere mo­raal, van het po­li­tieke be­stuur van de oude kei­zers en ma­gi­stra­ten van China), hand­schrift nr. 2331, in­di­recte ver­ta­ling uit het La­tijn door François Ber­nier, naar die van Pros­pero In­tor­cet­ta, Chris­tian Herd­trich, François de Rou­ge­mont en Phi­lippe Cou­plet. Pa­rijs, Bi­bli­o­thèque de l’Ar­senal, 1687; her­druk (voorw. van Syl­vie Taus­sig, si­no­lo­gi­sche aant. van Thierry Mey­nar­d), Pa­rijs: Le Fé­lin, reeks « Les Mar­ches du temps », 2015.

« Dsü dixit: “Ig­no­rans man­da­tum haud eva­det vir prin­ci­pa­lis.

Ig­no­rans ri­tus haud ad con­sis­ten­dum.

Ig­no­rans verba haud ad noscen­dum ho­mi­nes”. »

Con­fu­ci­us. Werke des chi­ne­si­schen Wei­sen Khun­g-Fu-Dsü und sei­ner Schüler, t. II, uit het Chi­nees ver­taald in het Duits en het La­tijn door Wil­helm Schott. Ber­lijn: C. H. Jo­nas, 1832.

« Phi­lo­sop­hus ait: “Qui non ag­nos­cit Cæli pro­vi­den­tiam, non ha­bet unde fiat sapiens. Qui haud nos­cit ri­tus, non ha­bet unde con­sistat. Qui non dis­cernit ser­mo­nes, non ha­bet unde cog­no­scat ho­mi­nes”. »

Cur­sus lit­te­ra­turæ sinicæ ne­o-mis­si­o­na­riis ac­com­mo­da­tus, t. II. Stu­dium clas­si­co­rum, uit het Chi­nees ver­taald in het La­tijn door An­gelo Zot­to­li. Shang­hai: Mis­si­o­nis ca­tho­licæ, 1879.

« De wijze zei: “Wie de orde van de He­mel niet er­kent en niet on­der­scheidt, kan geen edel man zijn. Wie de ge­woon­ten niet kent, zal zich niet hand­ha­ven. Wie de pre­cieze be­te­ke­nis van de woor­den niet be­grijpt, kan de men­sen niet be­grij­pen”. »

Les­lie, Do­nald Da­niel. Confucius, stu­die ge­volgd door Les En­tre­tiens de Con­fu­cius (De Ge­sprek­ken van Con­fu­cius), in­di­recte ver­ta­ling uit het He­breeuws door Za­cha­rie Maya­ni, naar die van Do­nald Da­niel Les­lie. Pa­rijs: Seg­hers, reeks « Phi­lo­sop­hes de tous les temps », 1962.

Downloads

Geluidsopnamen
Gedrukte werken

Bibliografie

Avatar photo
Yoto Yotov

Sinds 2010 wijd ik mijn tijd aan het bevorderen van de dialoog tussen eeuwen en naties, ervan overtuigd dat de menselijke geest overal thuis is. Als u deze visie van een universele cultuur deelt, en als mijn Notes du mont Royal u ooit hebben verlicht of geraakt, overweeg dan een donatie te doen op Liberapay.

Articles : 336