De Klaagzang van de vrouw van een krijger : Van Đặng Trần Côn tot Hoàng Xuân Nhị

Ver­taald uit het Frans

« Nee, zij heeft al­les ver­ge­ten, om al­leen nog te den­ken aan het ver­trek van haar echt­ge­noot. Een an­dere god [dan die van de oor­log] be­zielt haar, dic­teert haar ont­roe­rende af­scheids­woor­den en doet haar ogen ba­den in tra­nen. Zo waar is het dat de kwel­lin­gen van de kort­ste af­we­zig­heid de krach­ten der ge­lie­ven te bo­ven gaan! »

Ca­tul­lus. Tra­duc­tion com­plète des poé­sies de Ca­tul­le, sui­vie des poé­sies de Gal­lus et de la Veil­lée des fê­tes de Vé­nus (Vol­le­dige ver­ta­ling van de ge­dich­ten van Ca­tul­lus, ge­volgd door de ge­dich­ten van Gal­lus en de Nacht­wake van het feest van Ve­nus), uit het La­tijn ver­taald door François No­ël. Pa­rijs: Ré­mont, 1806.

Deze ver­zen van Ca­tul­lus had­den even­goed in het Viet­nam van de ja­ren 1740 ge­schre­ven kun­nen zijn. Het was in die woe­lige tijd, ge­ken­merkt door troe­pen­lich­tin­gen, dat de Klaag­zang van de vrouw van een krij­ger (Chinh phụ ngâm)1Ver­wor­pen vor­men:
Plain­tes d’une femme dont le mari est parti pour la gu­erre (Klaag­zang van een vrouw wier echt­ge­noot ten oor­log is ge­trok­ken).
Com­plainte d’une femme de gu­er­rier (Klaag­zang van een vrouw van een krij­ger).
Com­plainte de la femme du gu­er­rier (Klaag­zang van de vrouw van de krij­ger).
Com­plainte de la femme d’un gu­er­rier (Klaag­zang van de vrouw van een krij­ger).
Plain­tes de la femme du gu­er­rier (Klaag­zang van de vrouw van de krij­ger).
Com­plainte de la femme d’un sol­dat (Klaag­zang van de vrouw van een sol­daat).
Plainte d’une femme de sol­dat (Klacht van een vrouw van een sol­daat).
Le Chant de la femme d’un gu­er­rier (Het Lied van de vrouw van een krij­ger).
Chant de la femme du gu­er­rier (Lied van de vrouw van de krij­ger).
Chant de la femme du com­bat­tant (Lied van de vrouw van de strij­der).
Ro­mance de la femme du com­bat­tant (Ro­mance van de vrouw van de strij­der).
Plain­tes d’une chin­h-p­hou, femme dont le mari part pour la gu­erre (Klaag­zang van een chin­h-p­hou, vrouw wier echt­ge­noot ten oor­log trekt).
Les Plain­tes d’une chin­h-phu (De Klaag­zan­gen van een chin­h-p­hu).
Scan­sion d’une femme de gu­erre (Scan­de­ring van een oor­logs­vrouw).
Scan­sion d’une femme dont le mari est à la gu­erre (Scan­de­ring van een vrouw wier echt­ge­noot in de oor­log is).
La Com­plainte de l’é­pouse du gu­er­rier (De Klaag­zang van de echt­ge­note van de krij­ger).
La Com­plainte de l’é­pouse du com­bat­tant (De Klaag­zang van de echt­ge­note van de strij­der).
Femme de gu­er­rier (élé­gie) (Vrouw van een krij­ger (e­le­gie)).
Chinh phụ (ngâm khúc).
werd ge­com­po­neerd. Te mid­den van het rof­fe­len der trom­mels stijgt het we­nen op van een jonge Viet­na­me­se, wier echt­ge­noot, naar het front ver­trok­ken, talmt om te­rug te ke­ren en niet te­rug­komt. « Alle droe­fe­nis, alle op­stan­dig­heid, […] alle angst van het wach­ten wordt erin uit­ge­drukt met een on­ver­ge­lij­ke­lijke ver­fij­ning ». Het is een in­ti­mis­ti­sche ele­gie, geen pam­flet. Toch krijgt zij zo’n toon van mach­te­loze wan­hoop, een zo op­recht ver­lan­gen naar de zacht­heid en een­vou­dige vreug­den der lief­de, dat zij een in­stinc­tieve af­keer van de oor­log wekt. De le­gende wil ove­ri­gens dat som­mige sol­da­ten, wan­neer zij haar in de sche­me­ring der le­ger­plaat­sen hoor­den zin­gen, er­toe over­gin­gen te de­ser­te­ren. Luis­ter naar de vrouw van de krij­ger:

« Tal­rijk zijn zij die ver­trek­ken, zeld­zaam zij die te­rug­ke­ren:
Op de slag­vel­den van het bloed­bad is het avon­tuur­lijke le­ven van de sol­daat
Maar al te zeer ge­lijk aan de kleur van de bla­de­ren! »

Đặng, Trần Côn en Đoàn, Thị Điểm. Plain­tes d’une chin­h-p­hou, femme dont le mari part pour la gu­er­re, et au­tres poè­mes (Klaag­zang van een chin­h-p­hou, vrouw wier echt­ge­noot ten oor­log trekt, en an­dere ge­dich­ten), uit het Viet­na­mees ver­taald door Hoàng Xuân Nhị. Pa­rijs: Stock, 1943; her­dr. on­der de ti­tel Plain­tes de la femme d’un gu­er­rier (Klaag­zang van de vrouw van een krij­ger), Pa­rijs: Su­de­s­ta­sie, 1987.

Deze klaag­zang is tot ons ge­ko­men door drie uit­zon­der­lijke fi­gu­ren, over de eeu­wen heen ver­e­nigd: een oor­spron­ke­lijke dich­ter, een ge­ni­ale ver­taal­ster en een on­ver­schrok­ken Frans­ta­lige door­ge­ver.

Đặng Trần Côn: De oorspronkelijke dichter

Van Đặng Trần Côn heb­ben de an­na­len het beeld be­waard van een ab­so­lute ge­let­ter­de. Toen er een avond­klok over de hoofd­stad Thăng Long (het hui­dige Ha­noi) was uit­ge­vaar­digd, groef de au­teur een ge­heime kel­der om in stilte bij zijn boe­ken te kun­nen wa­ken. Wie weet of de be­schei­den lamp van zijn stu­di­euze nach­ten niet die is welke in deze stro­fen ver­eeu­wigd is:

« […] mis­schien be­grijpt de lamp mij…
Of be­grijpt de lamp mij niet?
Dan zal ik al­leen lij­den? »

Đặng, Trần Côn en Đoàn, Thị Điểm. Plain­tes d’une chin­h-p­hou, femme dont le mari part pour la gu­er­re, et au­tres poè­mes (Klaag­zang van een chin­h-p­hou, vrouw wier echt­ge­noot ten oor­log trekt, en an­dere ge­dich­ten), uit het Viet­na­mees ver­taald door Hoàng Xuân Nhị. Pa­rijs: Stock, 1943; her­dr. on­der de ti­tel Plain­tes de la femme d’un gu­er­rier (Klaag­zang van de vrouw van een krij­ger), Pa­rijs: Su­de­s­ta­sie, 1987.

De won­den van een land dat toen ver­scheurd was tus­sen de he­ren van het Noor­den en het Zui­den, ver­leen­den zijn in klas­siek Chi­nees ge­schre­ven ge­dicht een ver­schrik­ke­lijke juist­heid. Men las en be­won­derde het tot in China toe. En en­ke­len, be­ang­stigd door het blik­se­mende van zulk een ta­lent, rie­pen uit: « Heel zijn in­tel­li­gen­tie open­baart zich in dit lange ge­dicht. De au­teur zal hoog­stens nog drie jaar le­ven ». Een on­heil­spel­lende en waar­heids­ge­trouwe pro­fe­tie: Đặng Trần Côn stierf drie jaar la­ter, naar men fluis­tert in het nauw ge­dre­ven tot zelf­moord.

Đoàn Thị Điểm: De geniale vertaalster

Het werk zou zich, on­danks zijn waar­de, wel­licht nooit on­der het volk ver­spreid heb­ben, ware het niet ver­taald in de na­ti­o­nale taal door Đoàn Thị Điểm, bij­ge­naamd Hồng Hà (« Roze weer­schijn » of « Roze wolk »)2Over Đoàn Thị Điểm heb­ben wij geen an­dere in­lich­tin­gen dan die welke ver­schaft zijn door de smart van haar echt­ge­noot, die haar be­zong in een lijk­re­de:
« Door haar pen­seel te be­we­gen om de land­schap­pen te be­schrij­ven,
Drukte zij zeer diepe ge­voe­lens uit […]
In staat zelfs de On­ster­fe­lij­ken te ont­roe­ren; […]
He­laas! Zij had geen vaste wo­ning; […]
Pas na de der­tig ge­trouwd,
Ver­liet zij de aarde voor­bij de veer­tig; […]
Zij ver­trok zon­der haar oude moe­der te waar­schu­wen; […]
Is het lot niet zon­der­ling?
Is de He­mel dan on­recht­vaar­dig?… »
. Haar re­so­luut vrouwelijke ver­sie — geïn­spi­reerd, durf ik te zeg­gen, door de stor­men van de ziel — ver­hief zich tot de rang van schep­ping, en deed zelfs soms het ori­gi­neel van Đặng Trần Côn ver­ge­ten, hoe­wel dat reeds be­won­de­rens­waar­dig was! « Dat zegt iets over hoe­zeer de dich­te­res […] te­ge­lijk alle ge­hei­men van de Chi­nese taal en van haar moe­der­taal be­heerste. » Nooit voor­dien was het me­trum song thất lục bát (« dub­bel ze­ven, zes, acht »), zo ge­schikt voor de edele wee­moed, met zulk een kunst ge­han­teerd: « Elk woord is een traan, elk vers een snik […] van het hart. En het gaat om een hart in vlam­men, een hart in storm, […] een lief­lijk vrou­wen­hartje do­de­lijk ge­wond door de dui­velse pijl van de liefde — en van de meest se­ri­euze lief­de, de ech­te­lijke liefde »3Al­dus spreekt Trần Văn Tùng in zijn op­mer­ke­lijke bun­del Poé­sies d’Ex­trê­me-O­rient (Ge­dich­ten uit het Verre Oos­ten)..

Hoàng Xuân Nhị: De onverschrokken Franstalige doorgever

Tot slot en­kele woor­den over Hoàng Xuân Nhị. Aan­we­zig in Pa­rijs bij het eer­ste ge­dreun van de Tweede We­reld­oor­log, zocht hij in de po­ë­zie van zijn voor­va­de­ren een uni­ver­sele bood­schap om te rich­ten tot een Eu­ropa in vlam­men. Zijn Journal (Dagboek) be­schrijft de geest­drift die hem op een dag deed lo­pen — of lie­ver vlie­gen — door de hoofd­stad, hardop de­cla­me­rend als een be­ze­te­ne, als een dwaas. De Pa­rij­ze­naars keer­den zich om met een ge­a­mu­seerde of me­de­lij­dende blik: « Die arme stak­kers! », dacht hij, « zij zou­den in ver­voe­ring ge­raakt zijn en de on­ein­dige droef­heid van de oor­log ver­ge­ten zijn, had­den zij maar één drup­pel van mijn grote ge­luk ge­had! »

Waarom liet hij zijn keuze val­len op de Klaag­zang van de vrouw van een krij­ger? Om­dat zij hem « in [zijn] bloed zelf » wa­ren in­ge­schre­ven sinds de wieg: vroeg ver­weesd, had hij in « de on­ein­dig kost­bare tra­nen van deze edele en zo deer­nis­wek­kende vrouw, deze Ma­ri­anne Al­co­fo­rado van Verre Azië » een moe­der­lijke ge­ne­gen­heid ge­von­den. Haar ver­ta­len, haar ver­tol­ken, was een hu­ma­nis­ti­sche droom ver­we­zen­lij­ken, op­ge­te­kend in zijn Journal op 25 de­cem­ber 1940: « Een ori­gi­nele syn­these — vooral een le­vende — van twee men­se­lijk­he­den, van twee we­rel­den: van het Oos­ten en het Wes­ten, dat is wat ik be­slo­ten heb te zijn, dat is wat ik tracht te zijn, dat is wat ik be­zig ben te wor­den ». Een schit­te­rend in­ge­loste be­lof­te! Daar­van ge­tuigt het ont­haal dat zijn ver­ta­ling te beurt viel, die Ro­bert Bra­sil­lach4Ik moet pre­ci­se­ren dat Ro­bert Bra­sil­lachs on­heil­spel­lende en­ga­ge­men­ten on­der de Be­zet­ting dit hu­ma­nis­ti­sche ide­aal dat hij hier toe­juicht, ge­weld­da­dig zul­len te­gen­spre­ken. in deze lo­vende be­woor­din­gen be­groet­te: « De heer Hoàng Xuân Nhị […] heeft zijn land […] aan ons we­ten te ver­bin­den. De mens is één, van het ene einde van de pla­neet tot het an­de­re, en bij het le­zen van de over­pein­zin­gen over het vlie­den der da­gen of over de oor­log, over het ge­not van het be­min­nen, over de dood, dacht ik nu eens aan Ca­tul­lus, dan weer aan Ho­me­rus, dan aan Corn­eil­le, aan Mal­lar­mé, aan Va­lé­ry. Het is mooi om ons deze na­men in her­in­ne­ring te bren­gen, het is mooi te kun­nen ver­e­ni­gen wat in schijn twee zo ver­schil­lende cul­tu­ren zijn, en, zon­der een on­zui­vere ver­men­ging te wil­len na­stre­ven, hen el­kaar te hel­pen be­grij­pen ».


Voor wie verder wil lezen

Rondom Klaagzang van de vrouw van een krijger

Citaten

« 信來人未來
楊花零落委蒼苔
蒼苔蒼苔又蒼苔
一步閒庭百感催 »

Chinh phụ ngâm op Wikisource tiếng Việt, [on­li­ne], ge­raad­pleegd op 7 mei 2026.

« Tin gửi đi (var. thường lại) người không thấy lại,
Hoa dương tàn đã trải rêu xanh.
Rêu xanh mấy lớp chung quanh,
Dạo sân (var. Sân đi) một bước trăm tình ngẩn ngơ! »

Chinh phụ ngâm (Đoàn Thị Điểm dịch) op Wikisource tiếng Việt, [on­li­ne], ge­raad­pleegd op 7 mei 2026.

« De be­rich­ten gaan uit, de man keert nooit te­rug!
De wil­gen­bloe­sems heb­ben meer dan eens het groe­nende mos be­dekt.
Het mos heeft zich, meer dan eens, ge­voed met deze ge­val­len bloe­men;
Elke stap op de te­gels wekt on­tel­bare zor­gen! »

Đặng, Trần Côn en Đoàn, Thị Điểm. Plain­tes d’une chin­h-p­hou, femme dont le mari part pour la gu­er­re, et au­tres poè­mes (Klaag­zang van een chin­h-p­hou, vrouw wier echt­ge­noot ten oor­log trekt, en an­dere ge­dich­ten), uit het Viet­na­mees ver­taald door Hoàng Xuân Nhị. Pa­rijs: Stock, 1943; her­dr. on­der de ti­tel Plain­tes de la femme d’un gu­er­rier (Klaag­zang van de vrouw van een krij­ger), Pa­rijs: Su­de­s­ta­sie, 1987.

« De bood­schap­pen zijn aan­ge­ko­men, maar gij zijt niet aan­ge­ko­men.
De bloe­men van de po­pu­lier ver­wel­ken en val­len op het groene mos,
Het groene mos, het groene mos en nog­maals het groene mos!
Bij elke stap, in de ver­la­ten bin­nen­plaats, be­stor­men mij hon­derd ge­dach­ten. »

Đặng, Trần Côn. « La Com­plainte de l’é­pouse du gu­er­rier » (« De Klaag­zang van de echt­ge­note van de krij­ger »), uit het Chi­nees ver­taald door Maurice Du­rand. Bul­le­tin de la So­ci­été des étu­des in­do­chi­noi­ses (Bul­le­tin van de Ver­e­ni­ging voor In­do­chi­nese Stu­dies), Sai­gon: So­ci­été des étu­des in­do­chi­noi­ses, dl. XX­VI­II, nr. 2, 1953.

« Ik heb hem dik­wijls ge­schre­ven; hij keert niet te­rug.
De bloe­men van de esp be­dek­ken het groene mos.
Rond­om, hoe­veel la­gen groen mos!
Elke stap die ik op dit zachte ta­pijt zet
Brengt mij één voor één ont­roe­rende her­in­ne­rin­gen weer. »

Đặng, Trần Côn en Đoàn, Thị Điểm. « Chinh phụ (ngâm khúc) = Femme de gu­er­rier (élé­gie) » (« Vrouw van een krij­ger (e­le­gie) »), uit het Viet­na­mees ver­taald door Tuần Lý (Huỳnh Khắc Dụng). Bul­le­tin de la So­ci­été des étu­des in­do­chi­noi­ses (Bul­le­tin van de Ver­e­ni­ging voor In­do­chi­nese Stu­dies), Sai­gon: So­ci­été des étu­des in­do­chi­noi­ses, dl. XXX, nr. 3, 1955; her­dr. Sai­gon: Bộ Quốc gia Giáo dục, 1960.

« Be­rich­ten be­rei­ken mij vaak, maar de man keert nooit te­rug;
De bloe­men van de po­pu­lier, ge­heel ver­welkt (ver­dor­d), heb­ben het groe­nende mos be­dekt.
Het mos spreidt rondom een dik groen­ach­tig ta­pijt uit.
Elke stap die ik zet, wekt on­tel­bare zoete en pijn­lijke her­in­ne­rin­gen. »

Đặng, Trần Côn en Đoàn, Thị Điểm. Chinh phụ ngâm = Com­plainte de la femme d’un gu­er­rier (Chinh phụ ngâm = Klaag­zang van de vrouw van een krij­ger), uit het Viet­na­mees ver­taald door Bùi Văn Lăng. Ha­noi: Édi­ti­ons Alexan­dre de Rho­des, 1943.

« De be­rich­ten gaan uit, de man keert niet te­rug.
De ver­welkte bloe­men van de po­pu­lier be­dek­ken het mos.
Het mos spreidt rondom zijn groen­ach­tige ta­pijt uit.
Elke stap op de bin­nen­plaats roert dui­zend vage ge­voe­lens. »

Đặng, Trần Côn en Đoàn, Thị Điểm. Chant de la femme du com­bat­tant (Lied van de vrouw van de strij­der), uit het Viet­na­mees ver­taald door Lê Thành Khôi. Pa­rijs: Gal­li­mard, 1967.

« Gij hebt mij dik­wijls ge­schre­ven, maar gij zijt niet te­rug­ge­keerd,
De ver­welkte bloe­men van de po­pu­lier heb­ben een groen ta­pijt van mos ge­vormd.
Op dit groene mos heb ik in een kring ge­wan­deld,
En elke stap in de bin­nen­plaats wekt op­nieuw hon­derd troos­te­loze ge­voe­lens. »

Đặng, Trần Côn en Đoàn, Thị Điểm. Com­plainte d’une femme de gu­er­rier (Klaag­zang van een vrouw van een krij­ger), uit het Viet­na­mees ver­taald door Đông Phong [N­guyễn Tấn Hưng]. Mon­treuil-sous-Bois: J. Ou­aknine, 2009.

« De bood­schap­pen ko­men vaak aan, de man keert niet te­rug.
De ver­welkte bloe­men van de po­pu­lier be­dek­ken het groene mos,
Het mos spreidt rondom groen­ach­tige la­gen uit.
Elke stap op de bin­nen­plaats wekt dui­zend va­ge, ver­ont­rus­tende ge­voe­lens. »

Đặng, Trần Côn en Đoàn, Thị Điểm. Tâm ca tình ng­hĩa vợ chồng: Chinh phụ ngâm = Chant de la femme du gu­er­rier (Tâm ca tình ng­hĩa vợ chồng: Chinh phụ ngâm = Lied van de vrouw van de krij­ger), uit het Viet­na­mees ver­taald door Đặng Quốc Cơ. Ca­chan: Q. C. Dang, 2012.

« Vaak heb ik be­rich­ten ont­van­gen,
Maar nooit mijn echt­ge­noot we­der­ge­zien!
Op onze bin­nen­plaats heb­ben de ver­dorde bloe­men van de po­pu­lier
Het dikke ta­pijt van mos be­dekt;
Bij elk van mijn pein­zende stap­pen,
Be­storm­den dui­zend ge­dach­ten mij! »

Đặng, Trần Côn en Đoàn, Thị Điểm. « Plain­tes d’une femme dont le mari est parti pour la gu­erre = Chinh phụ ngâm » (« Klaag­zang van een vrouw wier echt­ge­noot ten oor­log is ge­trok­ken = Chinh phụ ngâm »), uit het Viet­na­mees ver­taald door Lê Văn Chất, Hoàng Xuân Nhị, Hữu Ngọc [N­guyễn Hữu Ngọc], Nguyễn Khắc Viện, Phạm Huy Thông, Tảo Trang [Vũ Tuân Sán] en Vũ Quý Vỹ, met de me­de­wer­king van Françoise Cor­rèze. An­tho­lo­gie de la lit­té­ra­ture viet­na­mi­en­ne. Tome II, 18e si­è­cle, pre­mi­ère moi­tié du 19e si­è­cle (Bloem­le­zing van de Viet­na­mese li­te­ra­tuur. Deel II, 18e eeuw, eer­ste helft van de 19e eeuw). Ha­noi: Édi­ti­ons en lan­gues étran­gè­res, 1972; her­dr. Pa­rij­s-Montre­al: L’Har­mat­tan, 2000.

« Vaak heb ik be­rich­ten ont­van­gen,
Nooit heb ik mijn echt­ge­noot we­der­ge­zien!
Op de bin­nen­plaats heb­ben de ver­dorde bloe­men van de po­pu­lier
Het dikke ta­pijt van mos be­dekt.
Bij elk van mijn pein­zende stap­pen,
Be­storm­den dui­zend ge­dach­ten mij! »

Đặng, Trần Côn en Đoàn, Thị Điểm. « Com­plainte de la femme d’un gu­er­rier » (« Klaag­zang van de vrouw van een krij­ger »), uit het Viet­na­mees ver­taald door Lê Văn Chất. An­tho­lo­gie de la poé­sie viet­na­mi­enne (Bloem­le­zing van de Viet­na­mese po­ë­zie). Pa­rijs: Les Édi­teurs français réu­nis, 1969.

« (Mijn) brie­ven zijn (u) vaak ter hand ge­ko­men, maar men ziet u niet te­rug­ke­ren.
Bloe­men van de po­pu­lier, ver­welkt, zijn reeds over het groene mos ver­spreid.
(Op) het groene mos dat in meer­dere la­gen rondom (groeit),
Bij elke stap die ik zet, (be­le­gert) een me­nigte droeve ge­voe­lens (mijn hart). »

Đặng, Trần Côn en Đoàn, Thị Điểm. « Une élé­gie an­na­mi­te: Chinh phụ ngâm = Le Chant de la femme d’un gu­er­rier » (« Een An­na­mi­ti­sche ele­gie: Chinh phụ ngâm = Het Lied van de vrouw van een krij­ger »), uit het Viet­na­mees ver­taald door Dương Quảng Hàm. Bul­le­tin gé­né­ral de l’In­struc­tion pu­blique de l’In­do­chine (Al­ge­meen Bul­le­tin van het Open­baar On­der­wijs van In­do­china), Ha­noi, de­cem­ber 1940 en no­vem­ber 1942.

Downloads

Gedrukte werken

Bibliografie

Avatar photo
Yoto Yotov

Sinds 2010 wijd ik mijn tijd aan het bevorderen van de dialoog tussen eeuwen en naties, ervan overtuigd dat de menselijke geest overal thuis is. Als u deze visie van een universele cultuur deelt, en als mijn Notes du mont Royal u ooit hebben verlicht of geraakt, overweeg dan een donatie te doen op Liberapay.

Articles : 351