Het Requiem van het Ainu-volk

Ver­taald uit het Frans

Naar het voor­beeld van de in­di­aanse vol­ke­ren wordt wat er van­daag rest van het Ai­nu-volk, eer­tijds zo op­mer­ke­lijk en zo vu­rig ge­hecht aan zijn vrij­heid, jam­mer­lijk sa­men­ge­dron­gen in en­kele abo­ri­gi­nale dor­pen. Het sterft in stilte uit, over­ge­la­ten aan een lot dat het geens­zins ver­dient. Vóór de Ja­panse he­ge­mo­nie strekte zijn im­mense grond­ge­bied zich even­wel uit als een ma­jes­tu­euze boom. Het grote ei­land Hok­ka­ido — des­tijds Ezo ge­naamd — vormde de mas­sieve stam, waar­uit twee af­zon­der­lijke tak­ken ont­spro­ten. De ene, naar het noord­wes­ten ge­neigd, was niets an­ders dan het ei­land Sa­cha­lin — Ki­ta-Ezo of « Noor­d-Ezo »; de an­de­re, naar het noord­oos­ten, te­kende het snoer van de Koe­ri­len — Oku-Ezo of « Ezo van de ui­ter­sten » — dat zich als een ro­zen­krans uit­strekte tot aan de punt van Kamts­jat­ka.

Aan de grenzen van de bekende wereld

Bijna een mil­len­nium lang had Ja­pan geen en­kele de­ge­lijke ken­nis van deze ei­lan­den, ver­bor­gen on­der my­tho­lo­gi­sche ne­ve­len. Het wei­nige dat het er­van wist, kwam van ei­gen­aar­dige wa­ren die het via ruil­han­del ont­ving — haai­en­olie, arends­veren, ge­nees­krach­tig korst­mos, zon­der­linge kle­ding ’s zo­mers ge­naaid van boom­schors en ’s win­ters van zee­hon­den­vel­len —, of van ver­re, on­be­trouw­bare ge­ruch­ten die de ei­land­hoof­den be­schre­ven als reu­zen « zeer kwaad­aar­dig en aan to­ve­rij ver­slaafd », in staat om naar be­lie­ven « re­gen op te wek­ken en stor­men te doen op­ste­ken »1Matsumae-shi (Be­schrij­ving van Mat­sumae) de Mat­sumae Hi­ro­na­ga, 1781, in­é­dit en français (on­uit­ge­ge­ven in het Frans).. Pas in 1604 werd een dai­myo aan­ge­steld te Mat­sumae; maar deze be­perkte zich er in ze­kere zin toe de wacht te hou­den.

« Ver­waar­loos­baar en ver­waar­loosd », deze ei­lan­den wa­ren te­vens het enige deel van de Stille Oce­aan dat aan de on­ver­moei­bare ac­ti­vi­teit van ka­pi­tein Cook ont­snap­te. En als zo­da­nig wek­ten zij de nieuws­gie­rig­heid van La Pé­rou­se, die sinds zijn ver­trek uit Frank­rijk brandde van on­ge­duld om er als eer­ste voet aan wal te zet­ten. In 1787 an­ker­den de fre­gat­ten on­der zijn be­vel voor Sa­cha­lin, en de Fran­sen, aan land ge­gaan, kwa­men in aan­ra­king met « een men­sen­ras dat ver­schilt van dat der Ja­pan­ners, der Chi­ne­zen, der Kamts­ja­dalen en der Tar­ta­ren, van wie zij slechts door een zee­ëngte ge­schei­den zijn ». Be­to­verd door hun zachte en spon­tane ma­nie­ren zo­wel als door hun zeld­zame in­tel­li­gen­tie, aar­zelde La Pé­rouse niet hen te ver­ge­lij­ken met de best op­ge­leide Eu­ro­pe­a­nen. Hij ver­telt vol ver­won­de­ring hoe een ei­land­be­wo­ner, die zijn ver­zoe­ken be­greep, een pot­lood greep om op pa­pier een vol­ko­men nauw­keu­rige kaart te te­ke­nen en « met stre­pen het aan­tal dag­mar­sen per kano » aan te ge­ven.

Toen kwam de Meij­i-res­tau­ra­tie, die de eeu­wen­oude even­wich­ten van Ezo zou ont­wrich­ten, wel­licht nog meer dan die van Ja­pan zelf. In het kiel­zog van een bruut be­leid van ont­gin­ning en ko­lo­ni­sa­tie, ver­zwaard door au­to­ri­taire ont­ei­ge­nin­gen, on­der­wierp het cen­trale be­stuur de Ai­nu’s aan een stief­moe­der­lijke voog­dij die zelfs de naam van hun land uit­wis­te. In deze ge­dwon­gen mar­gi­na­li­se­ring kwijnde hun rijke mon­de­linge li­te­ra­tuur, van ge­ne­ra­tie op ge­ne­ra­tie over­ge­le­verd in het hei­lig­dom van hun ge­heu­gen, weg tot slechts her­in­ne­rin­gen van groot­ou­ders. Ver­ge­ten wa­ren de ge­zan­gen ge­wijd aan de voor­ou­ders (ainu-yukar)2Van de be­oe­fe­ning van deze vers­ver­ha­len (yukar) zijn slechts zeld­zame ge­tui­ge­nis­sen be­waard ge­ble­ven: « Als men een Ja­panse te­ke­ning uit de 17e eeuw mag ge­lo­ven, schijnt de ver­tel­ler (yukar-kur) oor­spron­ke­lijk zijn tekst lig­gend bij het haard­vuur te heb­ben ge­re­ci­teerd, de maat slaand op zijn buik. De laat­ste ge­tui­ge­nis­sen […] to­nen de ver­tel­ler, in wer­ke­lijk­heid mee­stal een vrouw, kleer­ma­kers­zit ge­ze­ten aan de rand van het haard­vuur, de maat slaand door met een stokje op de rand van de haard te tik­ken. De toe­hoor­ders doen het­zelfde en la­ten re­gel­ma­tig be­ge­lei­dende kre­ten ho­ren »., de god­de­lijke hel­den­dich­ten (kamuy-yukar) en de ver­ha­len (uwepeker) waarin een vaag ge­per­so­ni­fi­eerde na­tuur tot le­ven kwam: de Zee die voedt, het Woud dat be­schut, het Beer­tje dat in het dorp met on­ein­dige zorg werd groot­ge­bracht… Zo­als Ku­bo­dera Itsuhiko be­treurt: « Op en­kele be­jaar­den na ge­brui­ken de Ai­nu’s hun taal niet meer. Zij spre­ken Ja­pans ».

De Offerbereidheid van Chiri Yukie

Het was om dit lot te be­zwe­ren dat Chiri Yu­kie ver­scheen. Ver­scheurd tus­sen haar mo­derne Ja­panse op­voe­ding en het erf­goed van haar groot­moe­ders, be­roemde ver­tel­sters, we­tend dat zij door ziekte ten dode was op­ge­schre­ven, be­steedde deze Ai­nu-vrouw haar zeer korte be­staan aan het trans­cri­be­ren in La­tijns schrift en het ver­ta­len in het Ja­pans van der­tien god­de­lijke hel­den­dich­ten, en werd zo de « jonge vrouw die de go­den ving » als « ge­schenk aan de ha­ren »3Om de mooie for­mu­le­ring van on­der­zoe­ker Mar­vin Nauen­dorff over te ne­men.. Haar hart hield op met klop­pen op ne­gen­tien­ja­rige leef­tijd, slechts en­kele uren na de vol­tooi­ing van haar ma­nu­script Ainu shin’yô-shû (Ver­za­me­ling van Ai­nu-ge­zan­gen)4Ver­wor­pen vor­men:
Chants des di­eux aïnous (Ge­zan­gen van de Ai­nu-go­den).
My­tho­lo­gie ainu (Ainu-mythologie).
Ainu shin’y­oos­huu.
Ainu shin­youshu.
. Haar tan­te, Ime­kanu5Ver­wor­pen vor­men:
Imekano.
Kan­nari Mat­su.
, en haar broer, Chiri Mas­hi­ho, na­men ver­vol­gens de fak­kel over en pu­bli­ceer­den om­vang­rijke ver­vol­gen. In haar voor­woord, dat klinkt als een tes­ta­ment, heft Chiri Yu­kie de klaag­zang aan van « hen die ge­doemd zijn te ver­dwij­nen » (ho­ro­biyuku mono):

« Waar zijn al die men­sen ge­ble­ven die in vrede leef­den in de ber­gen en op de vlak­ten? De na­tuur die sinds de oud­ste tij­den be­stond, ver­dwijnt ge­lei­de­lijk. De wei­ni­gen van ons die nog res­te­ren, slaan grote ver­baasde ogen op voor de gang van de we­reld. […] O, be­kla­gens­waar­dige ge­stalte die ten on­der gaat, ge­dwon­gen zich vast te klam­pen aan an­der­mans ge­na­de! »

Tsus­hi­ma, Yûko (dir.), Tom­bent, tom­bent les gout­tes d’ar­gent : Chants du peu­ple aï­nou (Val­len, val­len de zil­ve­ren drup­pels: Ge­zan­gen van het Ai­nu-volk), trad. du ja­po­n­ais par Flore Cou­mau, Ro­dolphe Di­ot, Ca­ther­ine Van­s­in­te­jan, Pau­line Vey et Ro­se-Ma­rie Ma­ki­no-Fay­ol­le, Pa­ris : Gal­li­mard, coll. « L’Aube des peu­ples », 1996.

Het Verzet door de geest van Nukishio Kizô

Als vol­maakt te­gen­wicht te­gen deze lijk­rede wei­gert Nu­kis­hio Kizô6Ver­wor­pen vor­men:
Nu­kis­hio Hôchin.
Nu­kis­hio Hô­maku.
de pro­fe­tie van de uit­ster­ving. In zijn ma­ni­fest van 1934, As­si­mi­la­tie en over­blijf­se­len van de Ai­nu’s (Ainu no dôka to senshô), wekt hij de trots op de Ai­nu-naam, die in de taal van zijn volk « mens » be­te­kent. De « ge­wone mens » (ningen) ge­ste­lend die ver­blind is door ego­ïs­me, roept hij de komst in van de « deugd­zame mens » (hito, 人). Zich wa­gend aan een po­ë­ti­sche exe­gese van dit laat­ste ide­o­gram, waar­van de twee stre­pen el­kaar we­der­zijds stut­ten om te voor­ko­men dat zij val­len, leest de in­tel­lec­tu­eel daarin de al­le­go­rie zelf van onze con­di­tie: de mens heeft « een krach­tige en voort­du­rende we­der­zijdse steun no­dig om over­eind te blij­ven ». Het is in deze ac­tieve broe­der­schap, tot deugd ver­he­ven, dat hij de hoop ont­waart op een vreed­zame sa­men­le­ving waarin « de deugd­zame men­sen de kracht van de na­tuur eer­bie­di­gen ».

Op zoek naar de weggevlogen zielen

Zo­als het oude Ezo is ver­dwe­nen, drei­gen met deze Ai­nu’s — broe­ders van het ge­bul­der der berg­stro­men en van de klacht van de wind in het ge­bla­derte — ook te ver­va­gen de « woud­ach­tige en bar­baarse the­o­fa­gie »; de « my­thi­sche com­mu­nie met het on­zicht­bare »; de wilde hei­de­vel­den be­volkt met roem­rijke her­in­ne­rin­gen en kamuy-go­den; en ten slotte de « pri­mi­tieve in­tuï­ties die als mid­del­punt het be­grip ramat heb­ben — de geest, de ge­heime in­ti­mi­teit, het hart van de mens en der din­gen »7Zo tref­fend be­schre­ven door Fo­sco Ma­rai­ni.. Wij ver­lie­zen ons ei­gen deel ani­misme in een na­tuur­lijke we­reld die on­op­hou­de­lijk krimpt. Het is drin­gend te trach­ten het te­rug te win­nen, zo­als die sja­ma­nen van wel­eer die zich in een zoek­tocht wier­pen om de weg­ge­vlo­gen zie­len der ster­ven­den in te ha­len al­vo­rens zij voor al­tijd ver­vlie­gen.


Verder lezen

Rondom Assimilation et vestiges des Aïnous : Manifeste précurseur autochtone (Assimilatie en overblijfselen van de Ainu’s: Voorloperend autochtoon manifest)

Citaten

« Lieve Utari [broe­ders en zus­ters], slechts de sterk­sten on­der ons ken­nen de ware be­te­ke­nis van het woord Ainu. Hoe­wel wij door on­recht wor­den ge­trof­fen en men ons ver­oor­deelt on­ver­bid­de­lijk te ster­ven, weest trots op uw ver­le­den, staat op en vat moed! […] Door ons te do­den doodt de maat­schap­pij ook zichzelf, ein­de­loos moe­ten wij weer­stand bie­den, maar onze wil is on­wrik­baar, staat op en vat moed! […]

Lieve Utari, op het ogen­blik dat wij het dal des doods door­trek­ken, reikt God ons een har­te­lijke en op­rechte hand, […] gaat voor­waarts ver­e­nigd en helpt el­kan­der, staat op en vat moed! […] Laat een lof­zang weer­klin­ken tot in de he­me­len en tot in de vier hoe­ken der aar­de, staat op en vat moed! »

Nu­kis­hio, Ki­zô, As­si­mi­la­tion et ves­ti­ges des Aïnous : Ma­ni­feste pré­cur­seur au­toch­tone (As­si­mi­la­tie en over­blijf­se­len van de Ai­nu’s: Voor­lo­pe­rend au­toch­toon ma­ni­fest), trad. du ja­po­n­ais par Sak­urai No­rio en col­la­bo­ra­tion avec Lu­cien-Lau­rent Cler­cq, préf. de Da­niel Char­tier, Qué­bec : Pres­ses de l’­U­ni­ver­sité du Qué­bec, coll. « Jar­din de gi­vre », 2023.

Downloads

Geluidsopnamen
Gedrukte werken

Rondom Le Japon avant les Japonais : Étude ethnographique sur les Aïnou primitifs (Japan vóór de Japanners: Etnografische studie over de primitieve Ainu)

Citaten

« Toen de Op­per­god de krui­den en de bo­men uit de aarde had doen ont­sprui­ten, schiep de god­de­lijke Ai­oïna de eer­ste Ai­nu, dat wil zeg­gen de eer­ste mens.

Hij boet­seerde zijn li­chaam uit aar­de, maakte zijn haar van gui­chel­heil en zijn rug­gen­graat van een wil­gen­tak. Daarom buigt, wan­neer men oud wordt, de rug als een ge­bo­gen boom­tak. »

Bé­na­zet, Alexan­d­re, Le Ja­pon avant les Ja­po­n­ais : Étude eth­no­grap­hique sur les Aï­nou pri­mi­tifs (Ja­pan vóór de Ja­pan­ners: Et­no­gra­fi­sche stu­die over de pri­mi­tieve Ainu), Pa­ris : bu­reaux de la « Re­vue des idées », 1910 [ver­ha­len ont­leend aan The Ainu and Their Folk-Lore (De Ai­nu’s en hun fol­klore) van John Bat­chel­or, 1901].

Downloads

Geluidsopnamen
Gedrukte werken

Rondom Tombent, tombent les gouttes d’argent : Chants du peuple aïnou (Vallen, vallen de zilveren druppels: Gezangen van het Ainu-volk)

Citaten

« Ik had be­dacht hem een poets te bak­ken
En ben op de drem­pel gaan zit­ten
Ik riep uit
“Tôroro han­rok han­rok!”8Na­boot­sing van het ge­kwaak van de kik­ker.

Toen heeft de jonge man
De hand op­ge­he­ven die het mes vast­hield
Hij zag mij en glim­lachte zacht­jes
En hij zei mij
“Is dat jouw ge­zang?
Is dat jouw vreug­de­zang?
Ik zou er graag meer van ho­ren”
Ik was ver­heugd en riep uit
“Tôroro han­rok han­rok!” »

Tsus­hi­ma, Yûko (dir.), Tom­bent, tom­bent les gout­tes d’ar­gent : Chants du peu­ple aï­nou (Val­len, val­len de zil­ve­ren drup­pels: Ge­zan­gen van het Ai­nu-volk), trad. du ja­po­n­ais par Flore Cou­mau, Ro­dolphe Di­ot, Ca­ther­ine Van­s­in­te­jan, Pau­line Vey et Ro­se-Ma­rie Ma­ki­no-Fay­ol­le, Pa­ris : Gal­li­mard, coll. « L’Aube des peu­ples », 1996 [ge­zan­gen voor­na­me­lijk ont­leend aan de Ainu shin’yô-shû (Ver­za­me­ling van Ai­nu-ge­zan­gen) van Chiri Yu­kie, 1923; aan de Ainu jo­jishi : Yû­ka­ra-shû (Epi­sche Ai­nu-ge­dich­ten: Ver­za­me­ling van yu­kar) van Ime­kanu in sa­men­wer­king met Kin­dai­chi Ky­ô­su­ke, 1959-1975; aan Chiri Mas­hiho cho­sak­u-shû (Wer­ken van Chiri Mas­hiho), 1973-1976; en aan de Ainu jo­jishi : Shin’yô sei­den no ken­kyû (Epi­sche Ai­nu-ge­dich­ten: Stu­die van de ka­muy-yu­kar en de oi­na) van Ku­bo­dera Itsuhi­ko, 1977].

Downloads

Geluidsopnamen

Rondom « De la poésie populaire chez les Aïno » (Over de volksdichtkunst bij de Ainu)

Citaten

« Deze [don­der­god] die hier een­zaam huist, wat goeds zegt hij ons? Wij we­ten het niet; daar komt hij aan­ge­schre­den en voor zich uit blik­kend. Hij werpt zijn ogen op ons land, op de ri­vier en op de zee. Daar rijst een een­zame rots ten he­mel; op de top van de rots rolt de don­der (lett., de don­der­draak), ter­wijl de nacht (lett., de nacht­draak) op­stijgt van onze stad naar de na­bu­rige ste­den. Nu is het zijn ge­noe­gen een­zaam rond te wan­de­len. Maar hij zal niet lang meer tal­men (om te­rug te ke­ren); want op dit ogen­blik zelf, ter­wijl hij draalt, […] wor­den in de voor­ste­den van ons dorp de bal­ken en dwars­lig­gers he­vig heen en weer ge­schud. »

Cha­ren­cey, Hy­a­cin­the de, « De la poé­sie po­pu­laire chez les Aïno » (Over de volks­dicht­kunst bij de Ainu), Re­vue orien­tale et amé­ri­caine, vol. 7, 1862, p. 196-201 [ge­zan­gen ont­leend aan de Ezo hô­gen : Mos­hi­o­gusa (De taal van het ei­land Ezo: Zee­wier of men­ge­lin­gen) van Ue­hara Ku­ma­jirô en Abe Chôza­burô, 1792].

Downloads

Geluidsopnamen
Gedrukte werken

Rondom « Les Aïnou des îles Kouriles » (De Ainu’s van de Koerilen)

Citaten

« In de oud­ste tij­den gin­gen twee Ai­nu-broe­ders naar Kamts­jatka om er te ja­gen. Het was win­ter. Op een dag, toen de jong­ste der twee broe­ders er­op­uit was ge­trok­ken om te gaan ja­gen, waagde hij zich te ver in de ber­gen en raakte de weg kwijt. De wind woei, de sneeuw viel dicht, en het uur was ver ge­vor­derd. De nacht na­der­de. On­ge­rust zocht hij overal een on­der­ko­men om te rus­ten. Toen hij er geen vond, be­gon hij te wan­ho­pen, toen hij vóór zich een gat in een rots zag. Ver­heugd over deze vondst, en den­kend dat hij de nacht in deze grot zou kun­nen door­bren­gen, ging hij er­in. Het was de wo­ning van een beer. De beer kwam ter­stond uit de diepte van de grot en sprak de nieuw­ko­mer aan: “Wat komt gij hier doen?” »

To­rii, Ryûzô, « Les Aï­nou des îles Kou­ri­les » (De Ai­nu’s van de Koe­ri­len), trad. du ja­po­n­ais par Er­nes­t-Au­guste Tul­pin, Jour­nal of the Col­lege of Sci­en­ce, Im­pe­rial Uni­ver­sity of Tokyo, vol. 42, 1919.

Downloads

Geluidsopnamen
Gedrukte werken

Bibliografie

Avatar photo
Yoto Yotov

Sinds 2010 wijd ik mijn tijd aan het bevorderen van de dialoog tussen eeuwen en naties, ervan overtuigd dat de menselijke geest overal thuis is. Als u deze visie van een universele cultuur deelt, en als mijn Notes du mont Royal u ooit hebben verlicht of geraakt, overweeg dan een donatie te doen op Liberapay.

Articles : 292